meer berichten uit 2012

Mijn heldere uitlatingen over het onderwijs zijn nogal eens (bewust?) verkeerd weergegeven. Op een bijeenkomst in Amersfoort met vertegenwoordigers uit de vakbonds-, en onderwijswereld met diverse politici heb ik daarom de gelegenheid aangegrepen een aantal punten te weerspreken. Ook voor lezers van deze site is mijn bijdrage wellicht interessant:

“Waarom sta ik hier? Ik sta hier omdat ik ben uitgenodigd op zo’n verjaarsfeestje in de straat waar je niet heel erg op zit te wachten, maar waarvan je fatsoenshalve vindt dat je er niet ontbreken kan. Maar die ene overbuurman, met wie je het echt aan de stok had heeft afstand genomen, een beetje dunnetjes, maar alla, van eerdere uitspraken, de andere buren zeggen steeds luider en indringender dat het nou wel welletjes geweest is en de moraalridders van het wijkkrantje riepen je zelfs op je andere wang toe te keren – niet je favoriete gewoonte noch voortkomend uit je dagelijkse overtuiging.

En nou ik er tóch ben, is het misschien goed een paar dingen luid en duidelijk uit te spreken.

De kern van mijn (en als ik ‘mijn’ zeg, bedoel ik niet mij als persoon, maar de politieke beweging die ik in de Tweede Kamer mag vertegenwoordiger; werk dat ik uit maatschappelijke betrokkenheid ben gaan doen en niet om er een baantje aan over te houden), de kern dus van mijn principiële bezwaar is dat ik vind dat er een klimaat is ontstaan waarin met kinderen wordt gesold. En daar neem ik dus ook principieel stelling tegen. En ja, dat doe ik in klare taal, zij het zonder ooit iemand te beledigen, daar kom ik straks op. Tegen de leiding van De Berkenschutse, die epilepsieschool in het Brabantse Heeze waar ik vorig jaar was, heb ik in een net zo open gesprek als wat volgens mij hier de bedoeling is, gezegd: ‘ik neem het u zeer ernstig kwalijk dat u zwaar epileptische kinderen die aan uw zorg zijn toevertrouwd heeft laten gebruiken door ze voor de camera van 1-Vandaag te laten sleuren, om de werkgelegenheid van een deel van de ambulante begeleiders veilig te stellen.’ Want ik vond dat een bewuste poging om een opinieklimaat te creëren waarin politici ervoor zouden terugschrikken om een impopulaire maatregel te nemen. De begeleiding van die kinderen was NIET in het geding; er was een stomme fout gemaakt op het departement die -uiteraard mede op mijn instigatie- parlementair is geredresseerd – maar er werd op onaanvaardbare wijze op de emotie van het grote publiek gespeeld in verkiezingstijd (Provinciale Staten). Het klimaat is daarna alleen nog maar verhard.  In het Kamerdebat van vorige week en op Radio en TV heb ik recente voorbeelden genoemd: drie klassen bij elkaar gezet en de kinderen wijs gemaakt dat hun school er zo uit zou komen te zien, volstrekt feitelijk onjuiste beweringen als zou de volledige functie van de ambulante begeleiding verdwijnen (als zou specialistische hulp van deskundigen om kinderen in het reguliere onderwijs te kunnen behouden worden opgeheven; quod non); een gefilmde juf voor de klas (Moraalridders) die een jochie van 8 op het bord laat schrijven 300 miljoen bezuinigen op het speciaal onderwijs, ik durf het zelf niet op te schrijven, tientallen brieven aan ouders  door schoolbesturen en directies die van ‘kaalslag’ reppen en ouders bang maken. Voor mij was de druppel die de emmer deed overlopen de uitlating van Kircz op 27 januari dat hij IN DE KLAS vertelde dat Elias en Beertema het onderwijs kapot maken. Hij heeft er recht op zijn opvattingen hard en scherp te formuleren, maar niet via de kinderen in zijn klas, zeker niet omdat hij als rolmodel fungeert; ik kreeg niet voor niets mails van leraren die me aankondigden zijn voorbeeld te volgen. Dat vond en vind ik indoctrinatie. We zouden, dat wilde organisator Slob, elkaar hier vandaag recht in de ogen kijken en dat doe ik dus: ik waardeer het bijzonder dat Walter Dresscher hier afgelopen maandag afstand van heeft genomen door te schrijven én op de radio te zeggen dat indoctrinatie niet thuishoort in de klas. Ik zeg er in diezelfde eerlijkheid wel meteen nog drie dingen bij:

-waarom moest dat zo lang duren, nadat Elbert Dijkgraaf van de SGP besloten had (waar Beertema, Biskop en ik ons bij aansloten) na deze -en andere!- uitlatingen van Kircs geen contact meer met de AOb te willen?

-waarom niet in één moeite door gewoon ruimhartig vastgesteld dat Beertema geen racist is? Mijn medewerker is lelieblank, de zijne is een Hindoestaanse  – en hij heeft 34 jaar les gegeven aan half multicultureel Rotterdam – wees dan ook zo flink in één moeite die excuses door te trekken, vind ik. Ik verschil overigens met Beertema van mening, maar ik geloof niet dat dat iedereen in de zaal hier is opgevallen, dus ik zeg het er nog maar eens even nadrukkelijk bij, over vakbonden; hij vindt dat maar niks; ik ben als overtuigd liberaal voor de vrijheid van organisatie en van vereniging – ik heb dus alleen moeite met veel standpunten van de bonden; dat is een wezenlijk verschil.

-hoe gaat hij concreet voorkómen dat niet dezelfde hysterie bij de volgende, alweer aangekondigde staking, ontstaat – en waarom wordt er überhaupt gestaakt als iedereen al weet dat de Eerste Kamer óók voor passend onderwijs gaat stemmen? Is het dan toch één grote ledenwerfactie? En dan ook nog eens op kosten van geld dat voor onderwijs bedoeld is?

Mijn tweede punt betreft de omgangsvormen, niet vanuit het gezichtspunt van een gekwetste ijdeltuit die zich het middelpunt van de wereld waant, zoals Jasper van Dijk van de SP er in het debat vorige week om politieke redenen van maakte, maar vanuit de gedachte dat leraren toch tenminste in zekere mate het morele kompas van onze jongeren ijken. Ik kan en wil niet snappen dat mensen die met kinderen werken NIET naar de argumenten van iemand willen luisteren met wie ze het niet eens zijn. Dat bij een leerlingendemonstratie met een enkele krentenbol gegooid wordt, soit  – maar léraren die vooraf bedenken om schoenen klaar te leggen om naar de fotoportretten te laten gooien van politici, terwijl die voor de vorm gevraagd wordt hun verhaal te komen houden – ik kan daar met m’n verstand niet bij. En al helemaal niet als achteraf gezegd wordt dat ik nog blij mocht zijn dat ze ze niet naar m’n kop gooiden. Deze verruwing is niet aan mijn kant ontstaan, wilde ik maar even vaststellen.

Bij die omgangsvormen hoort ook dat je je bij de feiten houdt. Vanuit de bonden is stelselmatig gezegd dat ik leraren lui heb genoemd. Ik tart iedereen om al mijn publieke uitingen na te vlooien en mij aan te wijzen waar ik dat gezegd heb. Het is namelijk niet waar. Wel heb ik zakelijke kritiek geuit en een heldere opinie gegeven over feitelijke bevindingen van de Onderwijsinspectie, welke feiten uiteraard tot verschillende gezichtspunten kunnen leiden, maar doe niet alsof die feiten niet bestaan. Zéker degenen die les geven aan onze kinderen of hen vertegenwoordigen, dienen de discussie zuiver te houden, vind ik. Er is geen debat of spreekbeurt geweest, waarin ik niet over het grote belang van de leraar gesproken heb en de meerderheid van hardwerkende docenten geprezen heb, werkelijk niet één keer. Het is onheus en unfair om dat stelselmatig te negeren en ik spreek u daar ook op aan.

Ik ben hier om u ervan te overtuigen dat mijn partij, onze fractie en ik het beste voor hebben met het onderwijs en dat ik niet accepteer dat de eerlijkheid van onze standpunten in twijfel wordt gesteld, zoals ik het ook in het Kamerdebat zei. U mag het met ons oneens zijn en we kunnen de degens wat mij betreft zonder enig probleem scherp kruisen op de inhoud. Maar zolang u op de man blijft spelen, krijgt u harder weerwerk dan u wellicht gewend was.

En ik stel dus voor dat we die vicieuze cirkel maar eens doorbreken. Zeker nu blijkt dat rond passend onderwijs het tij begint te keren en er ook steeds meer mensen hardop beginnen te zeggen dat het huidige systeem zodanig niet deugt dat je er ook best kunt reorganiseren zonder dat kinderen daar last van krijgen.

Ton Elias”

Lees meer

Geachte mevrouw Den Dekker, mevrouw Otten-Pablos, mevrouw Wijnbergen,

Dat u als ouders bezorgd bent over uw kinderen, begrijp en accepteer ik. Over ADHD, en dan bedoel ik de werkelijke ziekte, want dat is het, zult u mij er niet op kunnen betrappen ooit iets neerbuigends gezegd te hebben. Ik heb in de Tweede Kamer met grote interesse een rondetafelgesprek met vermaarde experts en wetenschappers over ADHD voorgezeten (op 21 april 2011) en met Jacob Klompstra frequent contact gehad over diens boek “Wat is die jongen druk”.

Wel heb ik tijdens de behandeling van het wetsvoorstel passend onderwijs vorige week dinsdag een mail van een forensisch psycholoog aan mij geciteerd en gezegd dat de boodschap van genoemde psycholoog beslist iets is om eens goed en serieus over na te denken. Ik citeerde hem aldus: “In mijn werk als forensisch psycholoog kom ik vaak ouders tegen die hun kinderen van een etiket hebben voorzien. Nu zijn vooral ADHD, ODD, PDD NOS erg populair. Er is soms sprake van misbruik van medische en psychologische diagnoses. Het wordt vaak gebracht als: ‘Hij heeft ADHD dus hij kan er niets aan doen dat hij druk en brutaal is’. De diagnose als excuus voor onaangepast en ongewenst gedrag. In plaats van kinderen te begrenzen (straffen indien nodig) en aan te spreken op gedrag, wordt er een diagnose gepresenteerd. Vaak is ongewenst gedrag echter het gevolg van een gebrek aan opvoeding. Geef de ouders een boete in plaats van kinderen een diagnose.” Vervolgens zei ik letterlijk: “Die boete – daar ben ik het niet mee eens, maar de rest is toch beslist iets om eens goed en serieus over na te denken.”

Niet meer en niet minder. Dat u dit kwalificeert als stemmingmakerij –zoals in uw mail aan mij d.d. 09-03-2012– en het buitendien doet voorkomen alsof dit citaat van mijzelf afkomstig is, vind ik zacht gezegd onjuist. In het parlement hebben wij de afgelopen twee weken uitgebreid gedebatteerd over het passend onderwijs en de kwaliteit van het speciaal onderwijs; verschillende partijen hun visies uitgewisseld en zo hoort het ook in een parlementair debat. Naar mijn mening gaat het wetsvoorstel passend onderwijs –dat gisteren in het parlement is aangenomen– iets veranderen aan onterechte medicalisering van kinderen en aan de inzet van specialistische hulp voor kinderen die dat eigenlijk niet nodig hebben. De mail die ik citeerde, gewaagde ervan dat er soms sprake is van misbruik. Wat is er tegen om dat aan de kaak te stellen? Het is onjuist om te doen alsof degene die dat punt agendeert, neerbuigend doet.

Zeker niet nu het palet van geluiden veelkleuriger wordt. Zo schreef Ruud van Ling, oud-leerkracht in het speciaal basisonderwijs in NRC-Handelsblad van gisteren: “In NRC Handelsblad van 5 maart zeggen Anoek Voermans en Tony Velding, ouders van een kind met het Downsyndroom, dat ze niet weten waar de school van hun kind de rugzakgelden aan heeft besteed. Welnu, het is ook voor veel leerkrachten in het speciaal basisonderwijs een raadsel waar de centen blijven. In ieder geval niet op onze salarisafrekeningen. Maar er worden steeds meer externen de school binnengehaald. Een logopediste, een fysiotherapeute, een diëtiste, een orthopedagoge. En dat vergadert en vergadert maar met de ambulante schoolleider, diens eveneens ambulante onderdirecteur, de secretaresse-voor-halve-dagen plus de onvermijdelijke interne begeleiders (IB’ers). Ik werkte op een school voor speciaal onderwijs, 125 leerlingen en 35 (!) man aan ondersteunend en lesgevend personeel. Van die 35 stonden er 9 (!) fulltime voor de klas, wat de rest deed is mij nooit duidelijk geworden. Een leerling van mij slingert erg bij het lopen. Eindeloze observaties, besprekingen, onderzoeken: niets te vinden. Ik denk dat hij zich aanstelt, maar mij wordt niets gevraagd. Tot ik het na een maand zat ben, de leerling in zijn kladden grijp en ’m toebijt of het nu eens uit is met dat vervloekte geslinger, hij lijkt wel een dronken aap! Nog dezelfde dag is het geslinger over en loopt het jochie gewoon. Waar dat geld nog meer naartoe ging? Computers. Het enige waar de jongetjes naar zochten, waren pornosites. Toen we die hadden verwijderd, had geen kind nog interesse in de computer.”

Ik zeg niet dat Van Ling van A tot Z gelijk heeft, maar ik vind het een opvallend geluid. Want hoe meer wij aan rimram slopen, des te meer geld blijft er beschikbaar voor kinderen die zorg werkelijk nodig hebben. Met de beste wil van de wereld kan ik niet inzien, wat er mis is aan dát standpunt, dat ik dan ook met verve namens de VVD-fractie heb uitgedragen en zal blijven uitdragen. Ik verwijs u daarvoor graag naar mijn website www.tonelias.vvd.nl, alwaar de  volledige spreekteksten voor de wetsbehandeling passend onderwijs zijn na te lezen.

In de hoop hiermee misverstanden aan uw zijde te hebben opgehelderd,

verblijf ik,

met vriendelijke groet,

Ton Elias, Kamerlid VVD Tweede Kamerfractie.

Van: [XXX] Verzonden: woensdag 14 maart 2012 23:31
Aan: [Alle Tweede Kamerleden] Onderwerp: Dringend verzoek! (nu met goede opmaak)
Urgentie: Hoog

Geachte leden van de Tweede Kamer,

Op woensdag 7 maart jl. hebben wij u een klacht gestuurd over de uitspraken die de heer Elias deed, over ouders en kinderen met een diagnose, tijdens het debat, over de wet

Passend Onderwijs, op dinsdag 6 maart jl. Helaas hebben wij op deze brief van slechts enkele Kamerleden een reactie mogen ontvangen.

Om deze reden stellen wij u de vragen uit onze vorige brief nogmaals. Zal de heer Elias door u op zijn uitspraken richting ouders en kinderen met een diagnose worden aangesproken?

Neemt u de reacties van ouders serieus? En kunnen we van u verwachten dat u dezelfde stelligheid inneemt als ons en dat u uw uiterste best zult doen om de heer Elias publiekelijk zijn excuses te laten maken richting ouders en kinderen met een diagnose?

Gelet op de recente ontwikkelingen zijn hier enkele vragen bij gekomen. Mevrouw Bouwmeester heeft namelijk op zaterdag 10 maart jl. in het programma Nieuwsuur haar rol als politica op een verkeerde manier gebruikt door feitelijk onjuiste informatie te geven over het gebruik van Ritalin bij kinderen.

Medicatie voor kinderen wordt in 70% van de gevallen niet standaard getest. Hierbij valt te denken aan medicatie tegen astma, medicatie tegen allergieën, antibiotica en medicatie ter behandeling van ogen en oren. Wij vinden dat mevrouw Bouwmeester een fout heeft gemaakt door alleen het middel Ritalin (wat overigens een merknaam is) op deze manier ter sprake te stellen. Want waarom worden alle overige medicijnen die niet vooraf worden getest en door kinderen worden gebruikt niet door mevrouw Bouwmeester genoemd?

De vermeende medicalisering van kinderen begint onderhand werkelijk op een ADHD hetze te lijken. Door als politicus op de stoel van een arts te gaan zitten worden ouders en kinderen met diagnoses ernstig tekort gedaan. Door mensen feitelijk onjuist en onvolledig te informeren ontstaat er een, onnodige, verkeerde van voorstelling van zaken en een reëel risico dat mensen van behandeling af zullen gaan zien, met alle mogelijke gevolgen van dien.

Ouders en kinderen met een diagnose voelen zich in de steek gelaten door de politiek, omdat ze dagelijks moeten horen dat de aandoeningen van hun kinderen niet bestaan. We willen daarom dat u niet alleen stellig afstand neemt van de uitspraken van de heer Elias, maar ook van de uitspraken van mevrouw Bouwmeester. Daarbij willen wij ook van mevrouw Bouwmeester een publiekelijk excuus horen richting ouders en kinderen met een diagnose.

Met vriendelijke groet,

Esther den Dekker

Suzan Otten-Pablos

Anne-Miek Wijnbergen

Lees meer

Spreektekst Ton Elias voor het AO Voortgezet onderwijs d.d. 15-03-2012

NB Louter het gsproken woord geldt

In dit verzamel-AO wordt een baaierd aan stukken behandeld. Ik wil daaruit enkele thema’s aan bod laten komen waarover mijn fractie vooral vragen aan de Minister wil stellen; het bestuursakkoord,  de financiën in het voortgezet onderwijs, de doorstroom van vmbo naar havo en de profielen in het voortgezet onderwijs alsmede de vakken Algemene Natuurwetenschappen en Culturele en Kunstzinnige Vorming.

De Minister en Staatssecretaris van OCW en de VO-Raad tekenden in december 2011 een ‘Bestuursakkoord voortgezet onderwijs’, dat voorziet in specifieke prestatieafspraken aan de hand van door de VVD vorig jaar warm omarmde actieplannen ‘Beter presteren’ en ‘Leraar 2020 – een krachtig beroep’ van het Kabinet. In het akkoord is afgesproken dat de bezuinigingen in het voortgezet onderwijs uit het regeerakkoord (€ 137 miljoen structureel vanaf 2015) in ‘één beweging’ (dus niet per deelonderwerp) worden ingevuld. Voorts worden er vanaf 2012 extra middelen ter beschikking gesteld voor de realisering van doelen uit dat bestuursakkoord oplopend tot € 133 miljoen in 2015. De facto betekent dit dus, vraag ik aan de Minister, dat per saldo er dus € 4 miljoen bezuinigd wordt? Betekent dit ook dat als het aantal profielen niet verminderd zou worden, zoals de Minister voorstelt –ik kom er zo op-, de bezuiniging wel wordt doorgevoerd? Graag verduidelijking.

Uit de vijfjaarlijkse evaluatie van de lumpsumbekostiging in het voortgezet onderwijs door het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO) blijkt het volgende (ik citeer): “Gemiddeld is bij ruim de helft van de schoolbesturen sprake van een doelmatige inzet van middelen. Bij deze schoolbesturen is sprake van een voldoende tot goede kwaliteit van de materiële taken, terwijl zij even veel of iets minder uitgeven dan de materiële vergoeding. Bij één op de vijf schoolbesturen is sprake van tekorten. Deze besturen zorgen wel voor een voldoende tot goede kwaliteit van de materiële taken maar geven daar veel meer geld aan uit dan zij ontvangen. Bij een kwart van de schoolbesturen is sprake van een ondoelmatige inzet van middelen. Deze besturen leveren matig tot slechte prestaties op het materiële vlak, terwijl zij veel te weinig of juist extreem veel geld besteden aan deze taken.”

Eind citaat. Ik weet niet hoe het de collega’s vergaat, maar als ikzoiets lees rijzen me de haren ten berge! En ik snap er helemaal niks van wanneer ik dan vervolgens in de brief van de minister over dit onderwerp van 22 december lees, ik citeer wederom letterlijk: “De evaluatie laat zien dat op het materiële vlak er in de onderzochte periode weinig problemen zijn voor het merendeel van de schoolbesturen.”

Hier klopt iets niet. Of het Instituut voor de Overheidsuitgaven schrijft dingen op die niet kloppen óf de minister wil het probleem wegpoetsen. Graag een glasheldere reactie.

Als het IOO gelijk heeft, lopen er dus nog steeds teveel incompetente schoolbestuurders rond, hoe boos ze ook worden wanneer je dat hardop zegt op grond van een vijfjarige (vijf jaar!) en serieuze evaluatie. Ik houd dus staande dat daar dringend verbetering in moet komen, want er wordt geld verprutst dat voor kinderen in de klas bedoeld is. En dat gebeurt, omdat er een toedekmentaliteit en een mantel-der-liefde-cultuur in het gesloten onderwijswereldje bestaat wanneer iemand slecht functioneert. En dat moeten we willen doorbréken met z’n allen, de minister net zo goed als ik. Als die cijfers dus kloppen, kondig ik nu al aan een VAO aan te vragen om over deze kwestie een motie in te kunnen dienen.

Op 22 december 2011 informeerde de Minister de Kamer over de financiën in het voortgezet onderwijs aan de hand van de jaarrekeningen over 2010. Daaruit bleek dat onderwijsinstellingen meer geld hebben uitgegeven aan onderwijs vergeleken met eerdere jaren en dat hun lasten gemiddeld de baten te boven gaan [In 2010 heeft de gehele voortgezet onderwijssector een negatief saldo € 73 miljoen, oftewel 1% van het totale baten] De bijdrage van het Rijk in de totale baten van het voortgezet onderwijs is gelijk gebleven met 91,8%, maar absoluut gestegen met € 197 miljoen; de personeelslasten zijn tussen 2009 en 2010 gestegen met € 211 miljoen. Van de Minister wil ik weten of, net zoals in het primair onderwijs, ook hier geldt dat er simpelweg te veel mensen zijn aangenomen? En als dat zo is, wil ik haar daar indringend haar oordeel over vragen.

Tussen 2006-2010 is de algehele liquiditeit van het voortgezet onderwijs afgenomen. Op dit moment wordt onderzoek verricht door de Onderwijsinspectie naar 400 instellingen in het primair- en voortgezet onderwijs met relatief veel kapitaal. Medio 2012 wordt de Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van dat onderzoek. De VO-Raad spreekt van een zorgwekkend beeld met het oog op de toekomst. Ook ik verneem graag de visie van de Minister op de financiële situatie en zeker ook op het artikel ‘opgepotte miljoenen’ uit de Elsevier d.d. 10-03-2012 waaruit blijkt dat de 299 schoolbesturen een gezamenlijk buffer hebben die € 192 miljoen groter zou zijn dan nodig. Met dat bedrag kunnen geen structurele uitgaven worden gedekt (bijvoorbeeld personeel), maar het kan bijvoorbeeld wel ingezet worden voor onderhoud van schoolgebouwen. Mijn voorlopige werkhypothese luidt dat ook scholen in het voortgezet onderwijs er te vaak financieel een potje van maken. Dat laat zich slecht rijmen met de schaalvergroting die heeft plaatsgevonden en die, zolang er aan de achterkant maar sprake is van een stevige professionaliseringsslag, mijn instemming behoud (op voorwaarde dat er aan de voorkant scholen van behapbare omvang overblijven, met een normale naam op de gevel en een directeur met een gezicht).

Havo-scholen stellen soms aanvullende eisen aan vmbo-gediplomeerden wanneer zij willen doorstromen naar het havo. De VO-Raad heeft daarom een toelatingscode opgesteld, waarin afspraken worden gemaakt over de toelatingseisen die scholen kunnen stellen en hoe zij leerlingen daarover informeren. Zo mogen scholen bijvoorbeeld geen hoger gemiddeld cijfer dan een 6,8 voor het eindexamen vmbo eisen. De Minister wil dat alle scholen conform die code gaan handelen en heeft de onderwijsinspectie gevraagd onderzoek op naleving daarvan te doen in 2012. Dit Kabinet heeft zich tot doel gesteld de aansluiting tussen verschillende vormen van onderwijs te verbeteren en daarom wil de VVD dat de Minister op alle mogelijke manieren naleving van de code bevordert. Maar; het blijft een code. Betekent dat dat er geen formele sanctie is? Kan de Minister daarmee uit de voeten?

In het regeerakkoord is voorts afgesproken het aantal profielen in de bovenbouw havo en vwo te verminderen, opdat [en dáár gaat het om!] meer focus op de kernvakken Engels, Nederlands en wiskunde gelegd kan worden en het onderwijs beter en efficiënter te organiseren valt. De Onderwijsraad in zijn advies ’Profielen in de bovenbouw havo-vwo’ (augustus 2011) en o.m. ook adviesbureau Ecorys onderschrijven de achterliggende gedachte, maar stellen dat daarvoor vermindering van het aantal profielen niet noodzakelijk is en zelfs kwalijk kan zijn voor doorstroom naar technische vervolgopleidingen. De Minister heeft een verkenning verricht naar andere manieren dan vermindering v/h aantal profielen om meer ruimte en richting te bieden in het bovenbouwprofiel door scholen. De Minister stelt voor het vak Algemene Natuurwetenschappen (ANW) niet langer verplicht te stellen in het vwo-curriculum. Voorts stelt zij de scholen meer ruimte te geven voor de invulling van het huidige vak Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV). De Ministerraad heeft hiertoe op 2 maart jl besloten. De Minister zal voor het zomerreces van 2013 een wetsvoorstel aan de Kamer sturen.

Ondanks dat het aantal profielen niet verminderd wordt, wordt de bezuiniging volgens de Minister echter wel doorgevoerd (via bovengenoemde ‘beweging’). Ik vroeg zojuist reeds om een bevestiging dat dit ook daadwerkelijk zo is. Voorts wordt met het alternatieve voorstel van de Minister tegemoetgekomen aan meer ruimte voor de kernvakken en meer ruimte voor het inrichten van het onderwijs. Ik neig ernaar de lijn van de Minister te ondersteunen, ondanks dat hiermee het regeerakkoord niet op de letter wordt nageleefd, zolang de achterliggende gedachte achter de vermindering maar wordt waargemaakt. Wel heb ik, tot slot voorzitter, de volgende vragen over de vakken Algemene Natuurwetenschappen (ANW) en Culturele en Kunstzinnige Vorming (CKV):

  1. De Nederlandse Vereniging voor het Onderwijs in de Natuurwetenschappen (NVON) stelt in een brief d.d. 14-03-2012 dat de Minister Algemene Natuurwetenschappen door het in het vrije deel van het Vwo-curriculum te plaatsen de facto afschaft. Afschaffing lijkt mijn fractie zeer onverstandig, aangezien we dringend zitten te springen om meer bèta’s Graag reactie Minister.
  2. NVON stelt voor de studielasturen voor het ANW in de natuurprofielen (natuur&techniek, natuur&gezondheid) te verdelen over scheikunde, natuurkunde en biologie en ANW onderdeel te laten blijven van de maatschappij profielen. Hoe ziet de Minister dit?
  3. Ik wil nadrukkelijk weten hoe volgens de Minister vorm zal worden gegeven aan het vak CKV, als we de scholen volledige beslissingsvrijheid geven om zelf de inhoud te bepalen; geven de kerndoelen voldoende richting? Dit kan ten kost gaan van cultuureducatie terwijl dat nu juist voor de VVD op het vlak van cultuur -naast zorg voor cultureel erfgoed en monumentenzorg- van groot belang wordt geacht.
  4. Kunnen we bij profielkeuze op een manier duidelijker maken welke vervolgopleidingen aansluiten bij een bepaald profiel en het arbeidsmarktperspectief ?
Lees meer

Spreektekst Ton Elias plenair debat wetsvoorstel kwaliteit speciaal onderwijs d.d. 14-03-2012

NB Louter het gesproken wood geldt

Mevrouw de voorzitter, ook vandaag weer behandelen wij een belangrijk onderwerp, de kwaliteit van ons speciaal onderwijs. Op de kern is veel van wat er over dit onderwerp te zeggen valt vorige week al naar voren gebracht.

De zorgleerling maakt veel emoties los, dat hebben we vorige week gezien. Maar we moeten de discussie verder trekken dan één over geld. De leerlingen in het passend onderwijs krijgen te vaak slecht onderwijs. In het verbeteren van de kwaliteit van het speciaal onderwijs ligt de echte sleutel naar hetgeen denk ik alle partijen in deze Kamer willen: alle kansen benutten die deze kinderen hebben op een zo normaal mogelijke toekomst.

In mei 2010 constateerde de Onderwijsinspectie dat verbeteringen in de kwaliteit van het speciaal onderwijs (“so”: basisscholen) en voortgezet speciaal onderwijs (“vso”) zichtbaar zijn, maar dat het verbeterproces erg traag verloopt. Het aantal zwakke scholen voor speciaal onderwijs is te groot: op 1 januari 2010 was bijna 30% van de scholen zwak (28%) of zeer zwak (bijna 2%). De Onderwijsinspectie constateert dat genoemde scholen onvoldoende gericht zijn op het behalen van optimale onderwijsresultaten, onvoldoende planmatig werken en onvoldoende zicht hebben op de door hen geboekte resultaten. Dat is nogal wat. Ongetwijfeld wordt op een positieve manier gewerkt aan verbeteringen en zullen ook de vliegende brigades die scholen bijstaan hier nuttig werk verrichten.

Mijn fractie is van mening dat er werkelijk teveel kinderen uit het speciaal onderwijs naar de Wajong gaan – en nee, ik hoop daarmee een interruptie voor te zijn, ik zeg dat niet uit budgettaire overwegingen, maar om principiële redenen: ook kinderen die speciaal onderwijs gevolgd hebben, hebben recht op een zo zinvol mogelijke toekomst.

Het door mijn fractie onderstreepte doel van de beoogde kwaliteitsverbetering van het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is nu juist het vergroten van de kansen van leerlingen met een beperking op een volwaardige participatie in de maatschappij; het voorkomen van een onnodig beroep op een uitkering is voor ons nuttige bijvangst, niet het doel.

Vorig jaar juni was ik bij de Tyltylschool Rotterdam waar bleek dat voor sommige kinderen, in tegenstelling tot anderen, monotoon werk –het voorbeeld dat genoemd werd was papier versnipperen- zeer geschikt is en dat zij hier ook plezier aan beleven. Het uitgangspunt is volgens de VVD dan ook –meerdere fracties benadrukten dat vorige week mét ons- dat we moeten kijken naar wat kinderen wél en niet louter naar wat ze niet kunnen. We moeten niet vooral het probleem willen zien, maar ook de kansen van kinderen.

Het is vanuit die filosofie dat mijn fractie vindt dat we veel meer kinderen moeten begeleiden naar werk en, als het even kan, naar vervolgopleidingen. We moeten een maximale poging doen om ervoor te zorgen dat minder kinderen rond hun 18e of 19euit het speciaal onderwijs komen en linea recta in de Wajong terecht komen. Het UWV heeft vastgesteld dat een substantieel deel van de instroom in de Wajong afkomstig is uit het voortgezet speciaal onderwijs. 27% van de Wajongers met een opleiding in het (voortgezet) speciaal onderwijs kan worden begeleid naar een arbeidsplek bij een reguliere werkgever en nog eens 29% naar een andere vorm van participatie, aldus het UWV. Daarvoor is het noodzakelijk dat vooral de afstand van school tot werk en werkgevers kleiner wordt. Investering in de kwaliteit van het onderwijs leidt er volgens de Minister toe dat meer leerlingen direct naar een vorm van participatie worden geleid, zo mogelijk zonder uitkering.

Is door de Minister overwogen om veel scherper als opdracht aan het speciaal onderwijs mee te geven dat het zich zoveel mogelijk dient te richten op het voorbereiden van kinderen op werk dan wel een vervolgopleiding en om dan ook vervolgens scherp in de gaten te houden of deze beweging ook op gang komt? Zou het formuleren van kwantitatieve doelstellingen – evt geënt op de genoemde cijfers van het UWV- en het zetten van een monitor op de uitkomsten niet tot veel betere resultaten kunnen leiden dan een deel van de voorstellen uit de maakbare samenlevingsfabriek, die de minister nu aanreikt? Of zou het niet tenminste én-én moeten zijn? Naar de overtuiging van mijn fractie schuilt in de door de Minister aangekondigde maatregelen het gevaar van bureaucratie. Moet de focus niet op de resultaten in termen van ‘aan betaald werk geholpen’ liggen i.p.v. het optuigen van het speciaal onderwijs met regels? Moet niet ook hier onze bureaucratiewaakhond, die we vorige week in het leven geroepen hebben, een zeer stevig oogje in het zeil gaan houden?

Om een kwaliteitsverbetering te bereiken doet de Minister van Onderwijs tal van voorstellen;

1. Het bestendigen van het ontwikkelingsperspectief;

2. Het invoeren van een verplichte voortgangsregistratie voor elke leerling met het doel het beste uit alle leerlingen halen door hogere leerresultaten te bevorderen (ook wel opbrengstgericht werken genoemd); dat kan alleen in samenhang met het genoemde ontwikkelingsperspectief.

3. Het invoeren van drie zogenoemde uitstroomprofielen; a) het uitstroomprofiel vervolgonderwijs, b) het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel en c) het uitstroomprofiel dagbesteding; er komen kerndoelen voor, die in Algemene Maatregelen van Bestuur worden vastgelegd.

4. Het uitreiken van een regulier diploma bij succesvol afronden examens, getuigschrift (bewijs afronding opleiding, zonder examens behaald te hebben) of overgangsdocument (bevat informatie over kennis en kunde van de leerling). Daarbij heeft het getuigschrift niet het civiel effect van een regulier diploma, maar wordt het van psychologisch belang geacht voor het gevoel van eigenwaarde van de leerlingen;

5. Het aanstellen van gekwalificeerde vakmensen als zij-instromer voor bepaalde beroepsgerichte vakken;

6. Verplichte stages in het uitstroomprofiel arbeidsmarktgericht; en tenslotte de

7. Mogelijkheid tot nazorg door de school aan de leerling na het verlaten van de school.

Als ik zo dat lijstje langsloop, dan vraag ik mij toch serieus af of we daadwerkelijk aan de juiste knoppen draaien om de kwaliteit in het speciaal onderwijs op orde te brengen. Zijn dit nu werkelijk de maatregelen die zorgen voor meer kinderen aan een baan? Zoals zo vaak strijd ik hier zij aan zij met de SP tegen rimram en bureaucratie. Graag een reactie van de minister.

Het profiel dagbesteding hoort uitsluitend bestemd te zijn voor leerlingen van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij niet in staat zijn een diploma te behalen of een duurzame plaats op de arbeidsmarkt te verkrijgen. Het bevoegd gezag van de school bepaalt in overleg met ouders en leerling –indien meerderjarig- het juiste uitstroomprofiel school, werk of dagbesteding. Hoe houdt de Minister toezicht op de besluiten van het bevoegd gezag? Toets zij die besluiten en zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? En verbindt zij daar eventueel kwantitatieve prestaties aan? Over hoeveel jaar begeleidt het voortgezet speciaal onderwijs wat de Minister betreft daadwerkelijk naar een baan en niet langer naar de Wajong? De Inspectie houdt toezicht op de succesvolle uitstroom uit profielen; hoeveel leerlingen starten in het op werk gerichte uitstroomprofiel en hoeveel verlaten die succesvol? Welke mogelijkheden bestaan er om te interveniëren als de Inspectie constateert dat té veel leerlingen niet succesvol het voor hen meest geschikte profiel afronden?

Het bevoegd gezag heeft tot wettelijke taak om onderwijs te verzorgen dat aansluit bij de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling, waarbij aangegeven wordt dat de leerling het hoogst haalbare onderwijsniveau en uitstroomperspectief moet volgen; maar het gaat me hier natuurlijk niet alleen wat in de wet staat, maar wat er vervolgens feitelijk gebeurt. En dan zien we dat er veel te weinig kinderen in een baantje terecht komen. Nogmaals: op dit kernpunt graag de reactie van de minister.

De VVD heeft ook vorige week aangegeven dat het eindoordeel bij de professional hoort te liggen. Er ligt wel een amendement, horende bij het  wetsvoorstel passend onderwijs om te zorgen dat ouders die werkelijk niet kunnen leven met het gekozen oordeel, de mogelijkheid hebben hun geschil voor te leggen aan een commissie. Hoe ziet de Minister geschillen over het uitstroomprofiel? Is de positie van ouders voldoende geborgd zonder afbreuk aan de professionaliteit van de school te doen?

Mdv, van de Minister wil mijn fractie weten waarom zij in de tal van aangekondigde maatregelen de leraar onvoldoende noemt. De kwaliteit van het onderwijs valt of staat met de kwaliteit van leraren en schoolleiders, zeggen we hier terecht regelmatig met z’n allen in koor. Waarom worden er dan geen extra eisen gesteld aan leraren werkzaam in speciaal onderwijs en het speciaal voortgezet onderwijs? Zou het niet verstandig zijn om een extra eis op te nemen in het lerarenregister voor leraren in het speciale onderwijs? Hoe zit het met de aandacht voor speciale technieken die je als onderwijsgevende in het speciaal onderwijs nodig hebt op de pedagogische academies voor het basisonderwijs, de PABO’s? Ik sprak gisterenavond nog zo’n PABO-student, ik hoop dat hij het debat nu volgt, dat hij nul extra aandacht in z’n opleiding kreeg voor het speciaal onderwijs, gewoon niks. Hij zei, ik citeer: ‘ik mag het in de praktijk gaan leren, oefenen op kinderen dus’. vandaar mijn vraag: hoe en wanneer gaan we dat veranderen? Want als we dat nalaten, hoeven we hier ook nooit meer te beweren dat de leraar de spil in de klas is immers …

En hoe staat het met de schoolleiders; stimuleren zij wel voldoende dat er opbrengstgericht gewerkt wordt in het speciale onderwijs? Wat is hun rol geweest in het feit dat nu bijna een derde van de scholen voor speciaal onderwijs kwalitatief zwak onderwijs levert? Graag informatie en graag een reactie.

Nog enkele losse punten tot slot:

1. Tot twee jaar nadat de leerling de school heeft verlaten, kunnen de ouders beroep doen op nazorg door de school, in de vorm van advisering om de overgang naar vervolgonderwijs, werk of dagbesteding te ondersteunen. De verwachting van de Minister is dat dit incidenteel zal gebeuren. Op mijn vraag in de schriftelijke voorbereiding wat dit betekent voor de personele last van een school zegt de Minister geen algemene uitspraak te kunnen doen. Kortom, eventuele personele consequenties zijn niet duidelijk. De VVD wil hier echter meer duidelijkheid over. Want als we iets opnemen in de wet, moeten we dat ook kunnen waarmaken. Want als we iets niet kunnen waarmaken, en we schrijven het wel in de wet, schrijven we met onze pen in de lucht en stappen we in de valkuil van de goede bedoelingen die niet worden waargemaakt en creëren we ergernis over en ongeloof in de politiek.

2. Een soortgelijk bezwaar heb ik op een ander punt. De Onderwijsraad heeft in een advies over dit wetsvoorstel gestipuleerd dat zelfredzaamheid (zelfverantwoordelijkheid, zelfbeschikking) altijd het streefdoel is van  onderwijs. Dit zou het kernconcept, het uitgangspunt van nieuwe wetgeving moeten zijn. De VVD is van mening dat het doel van het speciaal (voortgezet) onderwijs moet zijn: het begeleiden van leerlingen op een zo veel mogelijk zelfstandige deelname aan de maatschappij. Zoals ik vorige week al zei, er is straks, als de kinderen groot zijn – geen speciale wereld waarin deze kinderen van het speciale wereld leven, maar alleen de ‘gewone’, van zichzelf al complexe maatschappij. De Minister wil evenwel het begrip ‘zelfredzaamheid’ eerst uitwerken in de omschrijving van de kerndoelen; die zijn pas bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel (1 augustus 2013) beschikbaar en worden per AMvB uitgewerkt. Maar vanwege het belang van genoemde AMvB wil de VVD weten welke richting deze krijgt en weten hoe de Minister op hoofdlijnen invulling wil geven aan dat begrip zelfredzaamheid. Voorts wil ik graag weten hoe de afgelopen jaren dan invulling gegeven is aan dat begrip ‘zelfredzaamheid’ – zoiets komt toch niet uit de lucht vallen? Graag een reactie.

3, tenslotte, het bevoegd gezag van de school besluit op basis van professionaliteit over het ontwikkelingsperspectief. Ouders en de leerling, indien meerderjarig, worden betrokken bij het opstellen van het ontwikkelingsperspectief, maar het bevoegd gezag heeft het laatste woord over het uitstroomprofiel. Wanneer de ouders het hier niet mee eens zijn kunnen zij naar een klachtencommissie stappen of, nog even afhankelijk van een nog onder constructie zijnd amendement op het wetsvoorstel passend onderwijs morgen wordt aangenomen, naar een geschillencommissie. De VVD wacht af hoe deze geschillenregeling in het passend onderwijs vorm krijgt en hoopt dat de minister er al in haar eerste termijn iets inhoudelijks over kan aangeven.

Mevrouw de voorzitter, dat er iets moet gebeuren om de kwaliteit in het speciaal onderwijs te verhogen is evident. Ik wacht de antwoorden van de minister op een aantal indringende vragen die ik namens mijn fractie gesteld heb, af.

Lees meer

Een voorbeeld van de positieve berichten van ouders over de plannen passend onderwijs (op verzoek van mailer geanonimiseerd):

Van: [xxx]
Verzonden: donderdag 8 maart 2012 16:46
Aan: Secretariaat.Elias
Onderwerp: debat onderwijs bezuinigen

Beste heer Elias,

Het doet mij veel genoegen dat  u in het debat gewoon nu eens duidelijk zegt waar het om draait. Ook in de gewone wereld kun je niet als apart behandeld worden, eindelijk iemand die zegt hoe het is !!
Wat een genot om eens iemand aan te horen die zegt wat wij al jaren denken en zeggen tegen elkaar.

Het etiketteren van kinderen is uit de hand gelopen en geen kind mag meer zijn wie hij of zij is ! Het lijkt ook wel of wij als ouders ons  niet meer 100 % in willen zetten, en de school moet alles maar recht breien. Ook de overheid moet overal maar een oplossing voor verzinnen en de Nederlandse bevolking te “pamperen”.

Gelukkig heeft 1 van onze kinderen een super school getroffen die onze jongste gewoon accepteert en op een andere manier dan Ritalin pillen, stimuleert om zijn werk geconcentreerd te doen.

Wij wensen u veel wijsheid, geduld en volharding in deze “strijd”.

Met vriendelijke groet

[XXX]
Lees meer

Spreektekst Ton Elias plenaire behandeling passend onderwijs, tweede termijn, d.d. 08-03-2012 (NB Louter het gesproken woord geldt)

 

Voorzitter,

Ik wil, en mijn fractie wil, dat kinderen die zorg nodig hebben, die zorg krijgen. Maar er is – straks, als de kinderen groot zijn – geen aparte wereld waarin deze kinderen leven, ook in de maatschappij zijn er allerlei verschillen tussen mensen. Juist in het onderwijs moeten docenten zich aanpassen aan verschillen in de klas, en ouders en school niet uitgaan van het probleem waarmee het kind bestempeld wordt, maar uitgaan van wat het kind kán. In de eerste termijn zei de heer Van der Ham nog dat ondermeer de schaamte om aan te geven dat een kind “iets” heeft bij ouders is afgenomen en dat dat een goede ontwikkeling is. Dat 1 op 5 kinderen wat heeft is niet op zich verkeerd, soms ligt daar een heldere diagnose aan ten grondslag. Graag neem ik een eventueel misverstand weg, namelijk dat die –vaak lichte- stoornis sneller en dus vaker wordt vastgesteld, wil nog niet zeggen dat het kind daarmee per definitie “een probleem” geworden is. En dat wordt er op dit moment te vaak wel van gemaakt. Ik belde gisteren een leraar Aardrijkskunde naar aanleiding van een van de vele steunmails (ik krijg véél boze mails, maar toch ook opmerkelijk veel zeer sterk ondersteunende, het is waar dat er een zeker zwart-wit-denken in de inhoudelijke discussie is ontstaan; ik laat beleefdheidshalve even in het midden wie daarmee begonnen is, maar dit als kleine terzijde …), hoe dan ook: die leraar Aardrijkskunde vertelde me dat hij vijf kinderen met een lichte stoornis in de klas had, het verhaal vertoonde sterke overeenkomsten met wat een andere leraar gisteren in het Algemeen Dagblad vertelde, en die vertelde me dat het gewoon goed liep in z’n klas en dat hij extra hulp best handig zou vinden, maar het belang van het kind om in een ‘gewone’ klas te blijven, belangrijker achtte.

Mevrouw de voorzitter, en dáárom ben ik er oprecht van overtuigd dat we, als we over een jaar of drie terugkijken op deze herziening van Passend Onderwijs, dat we dan zullen zeggen: we hebben er goed aan gedaan het zo te veranderen als we nu op het punt staan te gaan doen. Daarom zeg ik ook volmondig ja op de vraag van de geachte afgevaardigde Van der Ham of ik me nog wel in het onderwijs durf te vertonen. Ja dat doe ik, omdat we vandaag iop het punt staan een goede beslissing te nemen. En ik zeg het de heer Dijkgraaf van de SGP na wie nee zegt tegen deze wet, zegt ja tegen het oude stelsel, dus inclusief de perfide uitwassen en de perverse prikkels die daar in zitten. Ik accepteer kritiek op onze VVD-standpunten, maar ik accepteer het niet wanneer de oprechtheid van dat standpunt en die overtuiging in twijfel wordt gesteld.

Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat kinderen minder als hulpbehoevend of als probleem bestempeld worden. Zodat kinderen die in het regulier onderwijs kunnen, niet in het speciaal onderwijs zitten en dat kinderen die in het speciaal onderwijs thuis horen, niet in het reguliere onderwijs zitten. Ik heb dan ook met genoegen de krachtige inhoudelijke verdediging ervan door mevrouw Ferrier en de heren Beertema en Dijkgraaf aangehoord en ik ben het, niet verrassend voor wie mijn bijdrage in 1e termijn gevolgd heeft, met hen eens.

Ik herhaal de kaarsrechte lijn van de VVD, waar de heer Van Dijk, ook dat herhaal ik, mij en onze liberale politieke groepering aan mag blijven herinneren: de leerling die werkelijk zorg nodig heeft, moet die zorg ook krijgen. Daarom ook steunt mijn fractie het amendement inzake bekostiging van epilepsiescholen en heb ik het mee ondertekend.

Het tij begint te keren. Het beeld wordt gemengder en genuanceerder. Voorstanders van ingrijpen in de huidige uit de hand gelopen situatie bij passend onderwijs beginnen zich uit te spreken. Niet alleen in mijn mailbox, maar ook in kranten. Ik citeer een ingezonden brief in het Algemeen Dagblad van vanmorgen: “Toen onze zoon in groep 8 zat, werd gemeld dat hij naar een vmbo-school met specifieke zorg moest. Het leek ons overdreven voor een kind dat alleen moeite met taal heeft. De school had zonder toestemming een rapport laten maken door een psycholoog die onze zoon nooit gesproken heeft. Hierdoor kon ons kind niet gemakkelijk naar een school van eigen keuze. Dat heeft ons veel moeite gekost. Hij doet het nu goed op zijn school zonder specifieke zorg. Ik denk dat er inderdaad kan worden bezuinigd door alleen die kinderen passend onderwijs te geven die dit echt nodig hebben. M. Olsthoorn, Vlaardingen.”

MdV, mij zijn vragen gesteld over de visie van de VVD op het onderwijsbeleid. Wat de VVD wil is de kwaliteit verhogen. Onze gemiddelde leerlingen doen het internationaal gezien redelijk goed, maar de uitschieters naar boven presteren niet goed genoeg. De bepalende factor van invloed is de leraar, na het kind de belangrijkste persoon in het onderwijs. Er zijn heel veel goede leraren, dat heb ik in ieder debat met grote nadruk naar voren gebracht. Ze dragen bij aan het leerproces. Waar dat niet goed of onvoldoende gebeurt moet dat hardop kunnen worden gezegd, ondermeer n.a.v. bijvoorbeeld kritische signalen van de Onderwijsinspectie. De leraar moet goed zijn. De VVD zet in op goede leraren: door de PABO te versterken, door docenten in het reguliere onderwijs bij te scholen om beter om te kunnen gaan met verschillen in de klas, door (jonge?) gemotiveerde leraren ruimte te bieden op school, hen een perspectief op een goede loopbaan te geven, door schoolleiders te bewegen hun geld uit te geven aan het onderwijs in plaats van aan gebouwen, door schoolleiders te dwingen personeelsbeleid te voeren met functioneringsgesprekken. Daar zet de VVD zich voor in, zodat mensen graag weer in het onderwijs willen werken. Zodat de leraar gestimuleerd en gesteund wordt om goed les te geven.

En dáár, voorzitter, gaat het om. De les aan de leerling staat voorop, in het reguliere en in het speciaal onderwijs. En daarom ontstaat nu een systeem waarin deze scholen samenwerken. Binnen die samenwerking wordt – met gebudgetteerde middelen – gezorgd dat ieder kind een plek krijgt op school dat bij hem of haar past.

Ik ben blij met de duidelijke toezegging dat er een bureaucratiesheriff komt. Voor mijn fractie een belangrijke geruststelling. Dhr. Dijsselbloem vond het maar niks, de wereld op z’n onderwijspolitieke kop – mag ik hem vragen voor de stemming nog contact te zoeken met zijn PvdA-fractiegenoot Çelik, die hier van een warm voorstander is! En als de Minister het liever een bureaucratiewaakhond noemt, dan een bureaucratiesheriff – ik vind het prima, als die man of vrouw maar armslag krijgt en als wij hier in de Kamer maar de signalen kunnen doorkrijgen van onnodige bureaucratische rompslomp daar waar de vrijheid die de wet biedt wordt misbruikt.

Voorzitter, over bureaucratie sprekend; ik ben oprecht verheugd dat de geachte afgevaardigde Van Dijk van de SP mét ons strijdt voor zo scherp mogelijk renderende onderwijseuro’s en ik hoop hem dan ook bij het nog komende debat over het SCP-rapport ‘Waar voor ons belastinggeld?’ aan mijn zijde te vinden! Uit het interruptiedebatje van hem met de Minister komt dat beter zal worden gelet op de vraag of geld dat voor kinderen die zorg behoeven niet in de algemene pot verdwijnt heeft de Minister naar mijn smaak op zich een bevredigend antwoord gegeven. Maar de reden waarom ik dit punt met enige nadruk toch nog even naar voren breng heeft te maken met een artikel in Elsevier dat vandaag verschenen is. Veel scholen (53%) hebben te veel eigen vermogen. Hun taak is om dat uit te geven aan onderwijs. In het artikel wordt het gevaar benadrukt: om binnen de normen van de reserves te blijven, bestaat het risico dat scholen het geld uitgeven aan niet-onderwijszaken. Dan houden ze in ieder geval geen reserve die te groot is. Hoe controleert de Inspectie op die prikkel?

De antwoorden van de Minister met betrekking tot de door mij ingediende amendementen geven mij geen aanleiding tot nadere vragen, behalve de opmerking van de heer Beertema n.a.v. mijn amendement inzake verevening.

Het is mijn bedoeling, en dat doet mijn amendement volgens mij ook, om het rigide karakter van de verevening, namelijk het nu in de wet te plaatsen, weg te nemen. De omvang van de te nemen stappen moeten op een later moment bepaald worden, dat kan volgens mij met 1 AMvB, maar dat vraag ik via deze weg nogmaals ter bevestiging aan de Minister.

Tot slot dien ik één motie in over onderwijs aan ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, conform mijn bijdrage in de eerste termijn van dit debat. Ik hecht er zeer aan dat die met zo groot mogelijke steun wordt aangenomen, vanuit mijn eveneens in eerste termijn verwoorde filosofie dat wij schaars met moties moeten omspringen omdat juist dan dat instrument z’n nuttige functie behoudt.

Motie

De Kamer,

Gehoord de beraadslagingen

Constaterende,

dat een kleine groep ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen onderwijs volgt in scholen of afdelingen voor meervoudig gehandicapten of op basis van verbrede toelating in scholen voor lichamelijk gehandicapten of zeer moeilijk lerende kinderen;

dat deze leerlingen om onderwijs te kunnen volgen voortdurend afhankelijk zijn van begeleiding die gefinancierd wordt op basis van de AWBZ, welke begeleiding de komende jaren voor een belangrijk deel zal worden gedecentraliseerd naar de gemeenten;

Overwegende,

dat geen twijfel bestaat over de noodzaak voor deze leerlingen in aanmerking te blijven komen voor de zwaarste vorm van extra ondersteuning binnen het kader van passend onderwijs;

dat scholen vanwege de ernst van de handicap geconfronteerd worden met een veelheid aan administratieve procedures;

dat stelselwijzigingen ten aanzien van passend onderwijs en de AWBZ beide betrekking hebben op de groep ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen, waarbij nog veel onduidelijkheid bestaat over de praktische uitwerking van deze stelselwijzigingen voor deze groep;

Verzoekt de regering

ten eerste te bewerkstellingen dat de politieke leiding van de departementen van OCW en VWS gezamenlijk met de VNG nog in 2012 een duurzame oplossing uitwerken, die passend onderwijs en begeleiding op basis van de (gedecentraliseerde) AWBZ zo goed mogelijk op elkaar doen aansluiten.

ten tweede overleg met de sectororganisaties in het onderwijs nog in 2012 een procedure uit te werken waardoor de plaatsing van ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen in een voor hen passende school gerealiseerd kan worden met zo min mogelijk procedurele en administratieve belasting voor ouders en de betrokken scholen, ondermeer door een voorbeeldafspraak in het Referentiekader op te nemen.

En gaat over tot de orde van de dag.

Elias

Ferrier

Lees meer

‘Leraren ageren tegen schijnprobleem’, Volkskrant d.d. 08-03-2012

Gisteren sprak ik iemand die al twintig jaar betrokken is bij onderwijsdebatten. Hij zei dat hij nog nooit had meegemaakt dat de kloof tussen de feiten van de wet en de beelden van de verontwaardigden zo groot was als nu. Het commentaar in deze krant van gisteren over passend onderwijs spreekt wat dat betreft boekdelen. Dat ging uit van de stelling dat je kinderen die speciale hulp nodig hebben om in een gewone klas te kunnen blijven functioneren, niet in de kou mag laten staan. Een volle Arena is dat met de commentaarschrijver eens. En ik natuurlijk ook – dat wil zeggen: als het waar zou zijn. Maar het klopt eenvoudigweg niet. De feiten zijn dat er voor kinderen die hetzij in het speciaal onderwijs terecht komen dan wel extra hulp in het reguliere onderwijs behoeven, bijna 2 miljard euro beschikbaar blijft. Evenveel als we hier in 2005 voor uitgaven. Uitgangspunt voor de VVD was, is en blijft dat kinderen die echt zorg nodig hebben, die ook moeten blijven ontvangen. Dat is de kern van de nieuwe wet passend onderwijs. We stoppen alleen met het rugzaksysteem, dat een perverse prikkel op indicaties zet, want de school kreeg geld voor ieder kind met een ‘vlekje’. Zo zijn we aan de rare cijfers gekomen dat er met één op de vijf leerlingen in het voortgezet onderwijs en met één op de tien kinderen in het basisonderwijs ‘iets’ is. Dat systeem moest dus anders. Ouders schrijven een kind onder de nieuwe wet in bij een school. Die heeft zorgplicht en moet het kind plaatsen. Dat betekent al dat er meer leerlingen in die gewone school terecht zullen komen. Kinderen voor wie het reguliere onderwijs niet geschikt is, worden doorgeplaatst naar die school van het speciaal onderwijs die voor hen het geschikst is. Alle scholen werken daartoe in een regionaal verband samen in, het woord zegt het al, een samenwerkingsverband. En nu komt het: heeft een kind extra zorg nodig om in een normale klas te kunnen blijven functioneren, dan blijft daar geld voor beschikbaar. Geld dat nu naar zogeheten ambulante begeleiders gaat, specialisten van buiten die kinderen van uiterst belangrijke ondersteuning voorzagen. Daarop wordt de helft gekort. Niet omdat die hulp niet nuttig of nodig zou zijn, maar omdat het verkeerd georganiseerd was. Immers: teveel kinderen met een indicatie betekent ook teveel van die extra hulp. Het kabinet investeert 150 miljoen om leraren beter te leren omgaan met verschillen tussen kinderen in de klas. Dan heeft een leerling dus minder snel extra hulp buiten de klas nodig. Veel leraren worden boos als je hardop zegt, wat de Onderwijsinspectie na onderzoek constateerde: de helft van de leraren kan niet goed omgaan met verschillen in de klas.

Er zal dus minder extra hulp nodig zijn, maar deze blijft wel degelijk beschikbaar: de samenwerkingsverbanden kunnen deze specialisten gewoon in dienst nemen of inhuren. Het zal wel efficiënter gebeuren, de betere specialisten zullen worden aangetrokken en degenen die het onhandig organiseerden, afspraken slecht nakwamen of matig werk leverden, zullen het loodje leggen. Daar is niks mis mee. Onderwijseuro’s dienen kwaliteit op te leveren en te renderen.

Maar juist hier lopen feiten en fictie volledig uit elkaar. Er wordt gesproken van kaalslag in het onderwijs en in de kou zetten van kinderen en wat al niet meer. Terwijl kinderen, die zorg nodig hebben, die gewoon kunnen blijven ontvangen. Alle 70.000 plaatsen in het speciaal onderwijs blijven beschikbaar en een efficiënter systeem van hulp voor kinderen, die dat nodig hebben om in de gewone klas te blijven, blijft overeind. Als er ergens wat fout dreigt te gaan, repareert juist ook de VVD-fractie dat: twee scholen voor kinderen met epilepsie dreigden –door verkeerde berekeningen van het onderwijsministerie- om te vallen en wij hebben mede gezorgd dat er extra financiering kwam. Want ik maak waar wat ik namens de VVD-fractie vanaf het allereerste optreden van dit kabinet bij de onderwijsbegroting heb gezegd: kinderen krijgen de zorg die ze verdienen. Dit alles is door vier politieke partijen ook naar voren gebracht tijdens het debat over passend onderwijs dat dinsdag begon. Ik begrijp oprecht niet waarom deze krant daaraan geen letter heeft gewijd.

Ton Elias

Lees meer

VVD: stel sheriff in tegen bureaucratie in passend onderwijs

In het debat over de bezuinigingen op het passend onderwijs, heeft de VVD vandaag aangetoond dat kinderen die echt zorg nodig hebben, deze zullen blijven ontvangen. Om dat te bereiken is wel van belang dat er in het passend onderwijs geen cent teveel gaat naar vergaderaars, naar coördinatiegebouwen, naar inefficiëntie en naar bureaucratie. Zoveel mogelijk van het beschikbare geld moet gaan naar de school en direct terechtkomen in de klas. Om bureaucratie terug te dringen en goede voorbeelden te verspreiden, stelde de VVD bij monde van onderwijswoordvoerder Ton Elias voor om tijdelijk een ‘anti-bureaucratiesheriff passend onderwijs’ aan te stellen. Elias: “We geven nu veel vrijheid aan scholen om op een verantwoorde manier te zorgen dat ieder kind op de goede plek in het onderwijs terecht komt. De regel zal zijn dat op veel plaatsen dit intelligent en efficiënt gebeurt. Maar ik wil er zeker van zijn dat uitzonderingen de kop worden ingedrukt. Er moet dus een waakhond zijn die als een soort sheriff door het onderwijsveld trekt en aan de bel trekt als het mis gaat. Iedere onderwijseuro moet maximaal renderen in de klas en alleen voor het hoogstnodige gebruikt worden voor de regelaars. Deze sheriff kan tijdig en effectief ingrijpen als nodig.”

Analoog aan de situatie in het middelbaar beroepsonderwijs zal de anti-bureaucratiesheriff passend onderwijs direct aan de Minister van onderwijs rapporteren en moet ook de Tweede Kamer op de hoogte kunnen zijn van zijn bevindingen.

Lees meer

Spreektekst Ton Elias Passend Onderwijs behandeling passend onderwijs d.d. 06-03-2012 (NB Louter het gesproken woord geldt)

 

Mevrouw de voorzitter,

Juist de VVD wil dat kinderen die echt zorg nodig hebben, deze ook krijgen en zullen blijven ontvangen. Er loopt een kaarsrechte lijn van mijn eerste interruptie bij de behandeling van de eerste onderwijsbegroting nog geen maand na de beëdiging van het kabinet-Rutte naar onze inbreng vandaag: kinderen die zorg behoeven, dienen deze te krijgen.

Juist de VVD wil dat, zorg voor kinderen die dat nodig hebben, wanneer we benadrukken dat er geen cent teveel naar gebouwen en vergaderaars en inefficiëntie en bureaucratie moet en dat zoveel mogelijk van het beschikbare geld naar de school en in de klas terecht dient te komen.

Wij geven in Nederland ook na de dringend noodzakelijke herziening van het stelsel van passend onderwijs, waarover ik uiteraard nog uitgebreid te spreken kom, nog steeds bijna twee miljard euro uit voor speciaal onderwijs en voor begeleiding van kinderen in het regulier onderwijs.

Met dat bedrag geven we daar straks net zoveel aan uit als in 2005. MdVoorz, daarmee is Nederland NIET een asociaal land, daarmee handhaven we alle 70.000 plaatsen voor kinderen in het speciaal onderwijs en daarmee handhaven wij een fatsoenlijk voorzieningenniveau.

In 2003 was de verwachting dat een kwart van de leerlingen in het speciaal onderwijs met een rugzak naar het regulier onderwijs zou gaan. Dat ging uit van een stabiel blijvend aantal indicaties. Er is echter in 7 jaar tijd een groei van 65% aan indicaties geweest, die geleid heeft tot een uitgavenstijging van structureel een half miljard euro, 500 miljoen euro. De geplande bezuiniging is mogelijk: ambtelijke heroverwegingen van het kabinet CDA/PvdA/ChristenUnie kabinet Balkenende-Bos lieten zien dat (wanneer het aantal zorgleerlingen zou worden teruggebracht tot het niveau van 2003) € 565 miljoen euro te besparen valt. Het Kabinet  nu gaat uit van een voorzichtiger scenario en boekt € 300 miljoen euro in, zoals gezegd het niveau van 2005.

Kijk, ik accepteer, mijn fractie accepteert, serieuze vragen over het vergroten van klassen in het speciaal onderwijs met 10 procent. Mijn fractie accepteert ook kritische noten over het verlies van een aantal arbeidsplaatsen van ambulante begeleiders (de mensen van buiten die kinderen in ons onderwijs met specialistische hulp bijstaan).

Bezuinigen wordt nooit en nergens met applaus ontvangen en doet altijd pijn. Dat realiseert ook mijn fractie warempel wel.

Maar wat ik niet accepteer, nu niet, straks niet en nooit niet, – wat de VVD niet accepteert is groteske stemmingmakerij.

Schooldirecteuren en leraren die ouders en kinderen voorspiegelen dat er, en ik citeer uit mails aan ouders, “ontoelaatbare kaalslag in het onderwijs plaatsvindt”. Leraren, tot aan bestuurders van onderwijsorganisaties toe, die tijdens de les en dus in hun klas aan leerlingen vertellen dat VVD en PVV het onderwijs “kapot maken” (ik citeer opnieuw) [t.w. AOb-bestuurder Kircz op 27-01-2012  in radioprogramma Goedemorgen Nederland].

Ouders, die wordt wijsgemaakt dat  hun kind geen hulp meer krijgt en die dat nog geloven ook, omdat de schoolleiding het immers zegt.

Het is onjuist, het is onheus – en het zou de collega’s hier in het parlement hebben gesierd als ze er afstand van genomen hadden, omdat ze de feiten kennen en weten dat het niet klopt. Omdat ze diep in hun hart ook donders goed weten dat politiek op die manier niet in de klas hoort. En omdat het slecht is om ouders, die geen tijd hebben om onze wetten te lezen, bang te maken.

En ik roep de andere partijen in dit debat, vandaag, óók op om alsnog afstand te nemen van de vele feitelijk onjuiste mededelingen vanuit de onderwijswereld en daarmee uw maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen tegen stemmingmakerij, tegen bangmakerij en tegen politiek in de klas.

En als u dat nalaat, dan houd ik u, ChristenUnie, D66, Groen Links, SP,  medeverantwoordelijk voor het gepolariseerde onderwijsklimaat van dit moment – omdat u liever het kabinet in problemen probeert te brengen dan zakelijk naar de reële problemen met passend onderwijs te kijken.

Want ik zeg u hier en ik zal het blijven zeggen: het is níet normaal dat één op de vijf leerlingen in ons voortgezet onderwijs inmiddels ‘iets’ heeft.

Het is niet normaal dat één op de tien leerlingen in het basisonderwijs ‘iets’ heeft.

Het is niet normaal dat in het reguliere onderwijs het aantal rugzakjes is gestegen met 28.000 in een periode van zeven jaar, zonder dat dat gepaard ging met een afname in het speciaal onderwijs, terwijl dat nou juist de doelstelling was.

Wie naar deze feiten kijkt en ze een tikje nuchter benoemt, krijgt veel boze mails. Maar ik krijg óók veel bijval. Laat ik eens één mail uit die laatste categorie citeren, het interessante is dat dit mailtje afkomstig is van een psycholoog uit de strafrechthoek. Hij schrijft me: “In mijn werk als forensisch psycholoog kom ik vaak ouders tegen die hun kinderen van een etiket hebben voorzien. Nu zijn vooral ADHD, ODD, PDD NOS erg populair. Er is soms sprake van misbruik van medische en psychologische diagnoses. Het wordt vaak gebracht als: ‘Hij heeft ADHD dus hij kan er niets aan doen dat hij druk en brutaal is’. De diagnose als excuus voor onaangepast en ongewenst gedrag. In plaats van kinderen te begrenzen (straffen indien nodig) en aan te spreken op gedrag, wordt er een diagnose gepresenteerd. Vaak is ongewenst gedrag echter het gevolg van een gebrek aan opvoeding. Geef de ouders een boete in plaats van kinderen een diagnose.” Einde citaat. Die boete – daar ben ik het niet mee eens, maar de rest is toch beslist iets om eens goed en serieus over na te denken.

Kort en goed: aan de rare perverse prikkel om kinderen te medicaliseren en steeds vaker specialistische hulp in te zetten voor kinderen die dat eigenlijk niet nodig hebben, aan dat soort rare dingen gaat dit wetsvoorstel iets veranderen en dat heeft onze vol-le-di-ge instemming, hoe hard er ook tegen geageerd wordt.

Want het is me natuurlijk niet ontgaan dat er vandaag wordt gestaakt. Daar debatteer ik stevig over met ouders, met docenten, in de media. Het uitgangspunt dat ik hanteer in die debatten is de verandering die dit kabinet wenst in het denken over, nou ja, over alles wat zich afspeelt in de samenleving eerlijk gezegd en hoe wij dat willen re-organiseren. Minder staat, meer eigen verantwoordelijkheid. Niet als ideologisch sausje over een bezuinigingsnoodzaak – nee, als welbewuste, ideologische keuze. Ik wil oprecht af van inefficiëntie, van bureaucratie, van financiële incompetentie en van verspilling van onderwijseuro’s. Dat is een politieke keuze waar ik namens de VVD nadrukkelijk voor sta.

In het onderwijs blijkt dat debat echter lastig te voeren, vooral ook omdat men er slecht gewend is aan zakelijke kritiek en zich érg rap respectloos behandeld voelt, ook wanneer die kritiek feitelijk en zakelijk is.

Toch loopt de VVD loopt voor dat debat niet weg, nooit. Ik ben gisteren bijvoorbeeld nog met het grootste plezier tegenover een bezorgde moeder, een lerares  en een schooldirecteur uit Meerkerk gaan zitten in TV-programma Schepper & Co.

Maar dan verwacht ik van mijn opponenten uit het onderwijsveld wel dat ze op basis van argumenten debatteren. Een onderwijsbestuurder en schooldirecteuren die neerbuigend over deze minister praten als een verpleegstertje dat te stom is voor het ministerschap – dat is onbehoorlijk en het is, ik gebruik dat woord voor het eerst in mijn leven in het openbaar omdat ik het namelijk maar al te vaak misbruikt acht, – dat soort uitlatingen is sexistisch en onaanvaardbaar. Ik heb niemand van de oppositie er afstand van horen nemen. Dat vind ik zwak, uitermate zwak en politiek opportunistisch.

Tot zover over het onderwijspolitieke klimaat rond deze wetgeving – nu over de wet zelve.

De Kamer heeft jarenlang gesproken met docenten, schoolleiders, bestuurders, ouders en vorige week nog met onderwijsjuristen. Die gesprekken gaan over  zorgen die leven rond een niet goed functionerend stelsel. En ze zijn in sterke mate ook inhoudelijk van aard. Als het over specifieke scholen gaat of over de positie van ouders.

En ook over de vraag waar de grenzen liggen. Niet alle zorg die je theoretisch kúnt geven, ben je als samenleving ook verplícht om te geven; ik heb leerkrachten gesproken die oprecht van mening waren dat een situatie van drie leerlingen per leerkracht in voor kinderen met een lichamelijke of verstandelijke beperking toch echt beter zou zijn. Ik geloof het even oprecht van harte. Maar dat is voor iedereen evident voorbij de grens van wat van een samenleving verwacht mag worden. Maar waar ligt van die evidentie dan de grens?

Een aantal van dit soort vragen wil ik hier vandaag behandelen: op hoofdlijnen stemmen wij op inhoudelijke gronden in met het wetsvoorstel, maar enkele dilemma’s wil ik de Minister van Onderwijs wel indringend voorleggen.

Alvorens dat te doen twee korte opmerkingen, één over het advies van de Raad van State en één over de professionalisering van de leraar in relatie tot passend onderwijs.

Het onderwijs is het voorwerp van aanhoudende zorg van de overheid, zo luidt de overbekende zin uit de Grondwet. De Raad van State verwijst hiernaar en stelt dat het wetsvoorstel moet worden aangepast om aan deze taak te voldoen. Op een aantal belangrijke punten heeft de minister dat ook gedaan. Zo is opgenomen dat het ondersteuningsplan de criteria voor toelaatbaarheid moet bevatten en dat deskundigen het samenwerkingsverband over de toelaatbaarheid moeten adviseren. Ook is er het advies ten aanzien van voorzieningen voor de minister bij ernstige taakverwaarlozing overgenomen. Op andere punten is onduidelijkheid weggenomen in de toelichting. Passend Onderwijs betekent dat er voor iedere leerling een passende plek in het onderwijs moet zijn. De toegang tot het speciaal onderwijs en het speciaal voortgezet onderwijs blijft gewoon mogelijk als dat de beste kansen biedt voor de leerling. Het doel van Passend Onderwijs, namelijk geen leerling tussen wal en schip laten vallen, maakt dan ook dat de overheid voldoet aan de grondwettelijke taak.

Het nieuwe stelsel is volgens de Memorie van Toelichting gebaseerd op een vijftal uitgangspunten:

–         zekerheid voor leerling en ouders

–         mogelijkheid voor maatwerk

–         budgettaire beheersbaarheid

–         mate van uitvoerbaarheid en voorkomen van bureaucratie

–         eerlijke verdeling van middelen

Voor mijn fractie komt daar nog een tweetal uitgangspunten bij:

–         een halt toeroepen aan het medicaliseren van kinderen

–         meer deskundigheid in het reguliere onderwijs leidt tot minder behoefte aan speciaal onderwijs

Wat dit laatste betreft: dit kabinet investeert in de professionalisering van leraren. Dat deden we sowieso al, maar de leraar moet ook beter leren omgaan met verschillen in de klas. Een willekeurig voorbeeld: een leerling met Asperger die thuis duidelijke structuur krijgt, en in de klas soms niet aanspreekbaar is, omdat de docent niet weet dat het belangrijk is het kind recht aan te kijken en toe te spreken en zonder beeldspraak opdrachten te formuleren. De lerarenopleiding moet hier fors op inzetten. Kan de minister een beeld schetsen hoe snel dit zal gaan? Hoe komt de professionalisering er verder uit te zien?

Mevrouw de voorzitter, de zorg voor leerlingen die niet alleen onderwijs nodig hebben is een zware taak. Deze leerlingen vragen continu aandacht van zowel verzorgers als van de docenten. Het speciale onderwijs moet voor deze kinderen beschikbaar blijven en dat blijft het ook: het huidige aantal van 70.000 plaatsen wijzigt niet. Maar de financiële middelen worden vanaf de nieuwe periode zo verdeeld dat het samenwerkingsverband een prikkel kent om de ‘lichte’ zorgleerlingen in het reguliere onderwijs te houden. Ja, dat zal verandering betekenen. Ja, dat vraagt iets van de reguliere docenten. En ja, dat betekent ook dat we de zware zorg beschikbaar kunnen houden voor leerlingen die die zorg echt nodig hebben.

Laat ik nog eens heel huiselijk en duidelijk formuleren waarom wij voor dit wetsvoorstel zijn. Wij willen voorkomen dat kinderen op het speciaal onderwijs zitten, die eigenlijk in een gewone klas kunnen zitten, net zoals we niet willen dat een deel van de kinderen in de gewone klas eigenlijk speciaal onderwijs zou moeten volgen. Dat is de kern.

Met dit wetsvoorstel komt de belangrijke beweging op gang dat sommige kinderen die nu nog naar het speciaal onderwijs worden verwezen weer naar de ‘gewone’ school gaan en daar de specialistische hulp bij krijgen die nú nog ten onrechte voor kinderen die dat eigenlijk niet nodig hebben wordt ingezet.

Volgens de VVD is de ooit goedbedoelde regeling voor passend onderwijs uit de hand gelopen, want  -zoals ik het eerder formuleerde- de huidige regeling kent wel een gaspedaal, maar geen rem. Ook los van de bezuinigingen zou moeten worden ingegrepen vanuit het oogpunt van doelmatige besteding van overheidsgeld. Onlangs bleek maar weer  -uit het SCP-rapport; we komen er in deze Kamer nog uitgebreid over te spreken-  dat meer geld naar het onderwijs niet aantoonbaar tot beter onderwijs heeft geleid.

Wat de VVD wil, is een uitruil: voor elke euro naar het onderwijs moet ook meetbaar een kwaliteitsstijging plaatsvinden. Zolang dat niet het geval is, moeten we de wijze van financiering in het onderwijs en de doelmatige besteding van de middelen in de scholen onder de loep nemen. In het kader van het Passend Onderwijs is daar genoeg over te zeggen: dat heeft de Kamer dan ook gedaan in een groot aantal debatten sinds 2005.

Scholen zijn gebaat bij het aanvragen van zo veel mogelijk ‘rugzakjes’. Ouders hebben lange tijd niets van die rugzakgelden gezien. Ook zijn feiten gemeld omtrent leerlingen die voor hun beperking via de rugzakgelden een laptop aanschaften, die vervolgens bij verhuizing ten onrechte in het bezit van de school bleef. Een aanzienlijk deel van de gelden vloeide in de algemene middelen van de school in plaats van aangewend te worden ten behoeve van de begeleiding van een zorgleerling. Het inzetten van rugzakgeld voor het behoud van de conciërge is een publiek geheim in onderwijsland. Wat mijn fractie betreft dienen scholen geld voor ondersteuning van kinderen te benutten om die kinderen vooruit te helpen en niet om gaten in hun begroting mee te dichten.

Wat ik wel wil weten is hoe we nu precies in het nieuwe stelsel voorkomen dat geld voor zorgleerlingen besteed wordt aan conciërges of nieuwe CV-ketels.  Kan de minister daar nog eens heel duidelijk een antwoord op formuleren?

Zonder rem is de leerlinggebonden financiering deels verworden tot een extra pot met geld. En zo zitten we nu dus met bijna 1 op de 10 kinderen in het basisonderwijs ‘iets’ heeft en dat datzelfde geldt voor bijna 1 op de 5 kinderen in het voortgezet onderwijs. Deze kinderen worden gestempeld en weggezet voor de rest van hun leven. Een traject dat begint bij het speciaal onderwijs leidt maar al te vaak tot uitstroom naar regelingen als de WAJONG. Huidige indicaties leiden tot óf wel óf geen ondersteuning, er is geen tussenvorm. Soms is gedeeltelijke ondersteuning beter. In het huidige systeem bestaat er geen flexibel budget.

Een stoornis kán verstorend werken in de ontwikkeling van leerlingen, maar een stoornis belemmert deze ontwikkeling niet per definitie. Dit wetsvoorstel probeert een halt toe te roepen aan de gewoonte om kinderen met een stoornis als autisme of ADHD apart te zetten. Die doelstelling is geheel in lijn met hoe de VVD het onderwijs ziet: als kans tot ontwikkeling, niet het beperken met een stempel of stigma

Mevrouw de voorzitter, ik kom nu eerst apart even te spreken over het lastige probleem rond de expertisebekostiging in relatie tot de eplilepsiescholen, dat naar mijn smaak geagendeerd en geadresseerd moet worden, waarbij ik verwijs naar eerdere discussies in deze Kamer. De scholen die wat in 2003 bedoeld was als tijdelijke bekostiging voor de opbouw van expertise ontvingen, lijken dat geld te moeten gebruiken om structureel te kunnen functioneren. Daarmee hanteren ze de facto een ander minimumniveau aan zorg dan het departement als standaard bij de normale bekostiging hanteert.

Daarover lijken we nu een ‘deal’ te maken, waar iedereen zich met wat inschikken wel in kan vinden: de afschaffing van de expertisebekostiging (zoals vorig jaar 31 januari aangekondigd) gaat niet door, ze mogen het oude bedrag houden minus 10%.

PvdA-collega Dijsselbloem heeft op dit punt een amendement ingediend, dat ik namens mijn fractie waarschijnlijk wel kan steunen en wellicht zelfs mee kan tekenen als in de formulering van de toelichting het open einde van de financiering kan worden dichtgeschroeid. Want niemand, zeker ook de VVD niet, wil natuurlijk dat die scholen zouden omvallen dan wel hun expertise niet meer zouden kunnen inzetten voor andere scholen met een epileptische leerling.

Dit vormt tevens de onderbouwing van mijn stelling dat de VVD een kaarsrechte lijn bewandelt door van stond af aan te zeggen: kinderen die werkelijk hulp behoeven, laten wij per se niet in de steek.

Maar dit legt wel een dieperliggend probleem bloot, naar mijn smaak, dat evenwel enige historische toelichting behoeft alvorens ik mijn punt kan maken.

Er is, zoals ik eerder al naar voren heb gebracht (op 16  februari en 29 juni vorig jaar om precies te zijn), het volgende gebeurd. In 2003 heeft PvdA-staatssecretaris Karin Adelmund de historisch gegroeide budgetten voor sommige scholen willen inperken. Dat leidde tot politieke weerstand, die destijds is afgekocht door de financiën in stand te houden en er het etiket expertisebekostiging op te plakken. De scholen die het betrof, de brief van de minister van 17 juni vorig jaar bevestigde dat, hebben dat geld vervolgens gebruikt voor een mix van expertise-uitbouw en zorg en onderwijs voor hun kinderen. De stelling van de minister in haar brief over passend onderwijs van 31 januari 2011 dat de expertise inmiddels nu wel is opgebouwd en dat dus de extra financiering voor specifiek deze expertise kon worden geschrapt, trof dus tenminste partieel die zorg en dat onderwijs. Het is zonder meer fout geweest dat het departement van OCW na de beslissingen van 2003 niet heeft geverifiëerd hoe het nu bij de scholen met expertisebekostiging wérkelijk liep, zoals het zacht gezegd niet chic van die scholen was dat ze het geld dat ze in naam kregen voor expertise, in de dagelijkse praktijk gebruikten voor het normale onderwijs- en zorgproces. Van dat soort dubbelzinnigheden in het onderwijs moeten we áf: we moeten klip en klaar weten waar financiering voor bedoeld is en hoe deze gebruikt wordt. Mijn vraag aan de minister is dus allereerst: is zij dat met mij  eens?

Maar de hele kwestie roept de al eerder door mij verwoorde vraag op: was is nou een reëel verantwoord sociaal minimum. Welke sleutel is reëel voor, in dit voorbeeld, de epilepsiescholen, maar die vraag geldt natuurlijk evenzeer de dovenscholen, Tyltylscholen – nóem maar op. We moeten, ik blijf dat vinden,  een zo objectief mogelijke maatstaf hebben of ontwikkelen om te bepalen hoeveel docenten en assistenten we per 10 kinderen per welke onderwijssoort nodig hebben. Anders slaan wij qua financiering een slag in de lucht – en beleid, ik zei het eerder en ik herhaal het vandaag, moet niet een slag in de lucht zijn. Wij moeten hier, als Kamer, gelden voteren op basis van criteria.

Ik vraag de Minister met klem in te gaan op dit vraagstuk en te schetsen hoe zij mét ons wil bewerkstelligen dat we beter en objectiever bepalen hoeveel onderwijskrachten we bij welk soort onderwijs minimaal nodig hebben.

Dan kom ik, mevrouw de voorzitter, nu toe aan het schetsen van enkele dillemma’s, zoals ik eerder reeds aankondigde.

Dilemma 1: ouders versus de school

Voor ouders is goede zorg voor hun kind zeer belangrijk. Hun overlegpartner, de school, heeft een eigen belang naast goede zorg. Soms echter is de situatie omgekeerd. Wat gebeurt er wanneer de school het kind ‘te druk’ acht en aanpassingen in zorg en ondersteuning wil, terwijl de ouders vinden dat het kind geen extra zorg nodig heeft? Op zo’n moment kunnen de ouders en de school  tegenover elkander komen te staan. In de constructie dat de school moet zorgen voor een passend aanbod, maar ouders dat de facto niet kunnen weigeren, kan dat gaan wringen. In de ‘Weer Samen naar School’-verbanden bestond een landelijke geschillencommissie waar, zoals ik in de nota naar aanleiding van het verslag lees, tussen 1998-2006 14 geschillen zijn aangemeld en sinds 2007 geen geschillen meer. Een landelijke regeling optuigen zoals een amendement van PvdA en D66 doet, geeft dus nogal wat gedoe, terwijl er in het verleden maar weinig beroep op werd gedaan. Ik hoor graag van de minister hoe zij dit ziet. De VVD vindt het belangrijk dat er een mogelijkheid is om op het gebied van de toelating van een leerling op zoek te gaan naar een manier om conflicten te vermijden en de (dure en zware) gang naar de rechter te voorkomen. Het middel moet echter niet zwaarder zijn dan de kwaal.

In dit verband moet mij nog wel iets van het hart. Tijdens het rondetafelgesprek met de juridische deskundigen dat de Kamer vorige week nog voerde, werd –door één van de sterk in de materie geverseerde gesprekspartners- de opmerking gemaakt dat rechters de deskundigheid niet in huis hebben als het gaat om zaken van (passend) onderwijs. Ik wil daar graag een reactie van de minister op. Herkent zij dit signaal? Wat betekent dat voor zowel de positie van ouders als van de school? Wat voor consequenties heeft dat voor de mogelijke gang naar de rechter?

Voor de VVD-fractie is het punt van de positie van de ouders bij conflicten met de school belangrijk. Het amendement van CDA-collega Ferrier lijkt voor ons op het eerste gezicht een goed begaanbare tussenweg en ik wacht om die reden met belangstelling de reactie van de Minister daarop af.

Mijn tweede dilemma betreft het thema vrijheid versus bureaucratie.

De kracht van Passend Onderwijs ligt bij de samenwerking van het regulier en het speciaal onderwijs. Door een samenwerkingsverband – bestaande uit het bevoegd gezag van alle scholen – de leiding te geven over de toelaatbaarheid van leerlingen en de verdeling van de middelen, wordt de financiële prikkel daar neergelegd. Over de criteria voor de toelaatbaarheid en verdeling beslissen zij zelf. Dat biedt vrijheid en ruimte voor maatwerk en eigen afwegingen. De VVD is daar voorstander van, maar dan dient de wet wel heldere kaders te bieden. Het wettelijk kader voor het ondersteuningsplan zou de VVD op die grond graag uitgebreid zien. Daarom heb ik een amendement ingediend om vast te leggen dat het samenwerkingsverband zelf een niveau van basiszorg moet vastleggen. Bepalen wát dat minimumniveau is, wil ‘ik’ (‘ik’ tussen aanhalingstekens) als wetgever niet doen, ik ben derhalve tegenstander van het amendement van de geachte afgevaardigde Klaver van Groen Links. Want juist de ruimte voor de samenwerkingsverbanden om dit zelf te bepalen is een cruciaal onderdeel van deze wet. Alleen, voor de scholen die onder het samenwerkingsverband vallen en voor de ouders is het van belang te weten wat er onder basiszorg verstaan wordt. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat een samenwerkingsverband bijvoorbeeld kan vaststellen dat iedere school aandacht voor ADHD-kinderen en dyscalculie heeft in dat specifieke samenwerkingsverband. Of dat afgesproken wordt dat binnen een straal van 8 kilometer –fietsafstand- tenminste 1 school met basisniveau 8 voor dislexie, maar 0 voor ADHD en 1 school waar dat precies andersom ligt moet zijn. M.a.w. dat binnen zo’n samenwerkingsverband het instrument van benoemen van aangeboden minimumzorg ook wordt ingezet om een vorm van specialisatie mogelijk te maken. Het voordeel van een vastgesteld en richting ouders te communiceren niveau van basiszorg en de mogelijkheid tot differentiatie is dat ouders weten, waarop ze bij elke school aanspraak kunnen maken.

Als het over vrijheid van handelen gaat nog een punt. Nu al krijg ik signalen van samenwerkingsverbanden waar het overleg voortvarend wordt opgepakt en die een goed voorbeeld vormen voor anderen. Tegelijkertijd hoor ik aanzwellende en nogal zorgelijke geluiden dat elders de samenwerking nauwelijks van de grond komt en het voornemen bestaat managers en regeltypes in aparte gebouwen te gaan zetten, allemaal met geld dat natuurlijk véél beter in die moeilijke zorgklassen kan worden besteed. Moeten we dan toch meer regelgeving optuigen om de slechte voorbeelden te voorkomen/herstellen, of bestaat er een mogelijkheid tot een slimme oplossing?

Analoog aan de situatie in het middelbaar beroepsonderwijs (MBO) wil ik het voorstel doen een –wat ik wil noemen– ‘anti-bureaucratiesheriff’ in het leven te roepen. In het MBO loopt zo iemand rond (het heet helaas ‘programmamanagement’, maar hij fungeert werkelijk als sheriff) die helpt om wetgeving uit te voeren. Alle instellingen zijn verplicht om aan hem te rapporteren (het is er ook echt maar één, die in 2015 zijn taak voltooid moet hebben); hij spreekt jaarlijks met ze en rapporteert rechtstreeks aan de minister. Er zijn dus geen eigen bevoegdheden, maar de snelle implementatie van wetgeving en het voorkomen van bureaucratie is wel z’n hoofddoelstelling.

We geven nu veel vrijheid aan de scholen om op een verantwoorde manier te zorgen dat ieder kind op de goeie plek in het onderwijs terecht komt. Op veel plaatsen zal dat intelligent en efficiënt gebeuren. Maar ik wil er zeker van zijn dat uitzonderingen, waar ze de irritante gewoonte volgen om te vergaderen of, nog erger, coördinatiegebouwen in het leven te roepen, de kop worden ingedrukt. Er moet dus een waakhond zijn die als een soort sheriff door dat hele veld trekt en aan de bel trekt bij het onderwijsministerie als het mis gaat, zodat er ingegrepen kan worden. Iedere onderwijseuro moet maximaal renderen in de klas en alleen voor het hoogstnodige gebruikt worden voor de regelaars. Ook de Tweede Kamer moet op de hoogte kunnen zijn van de bevindingen van deze anti-bureaucratie-sheriff.

Ik vind het belangrijk dat zo’n type er in het systeem van passend onderwijs nieuwe stijl ook komt; als het moet per motie, maar liever gewoon een toezegging van de Minister dat ze dit idee overneemt en de man of vrouw voor 1 juni aanneemt of aanwijst.

Voorzitter, ik kom aan mijn laatste punten.

Er zijn scholen, waar de zwaarte van de problemen bij de kinderen van dien aard is, dat je eigenlijk, als je eerlijk bent, moet vaststellen: dit is geen onderwijs meer, dit is zorg.

Voorzitter, er is een groep scholen, die niet alleen door dit wetsvoorstel met een nieuwe structuur te maken krijgt, maar ook nog eens met de decentralisatie van de AWBZ. Daarbij doel ik vooral op scholen met de Ernstig Meervoudig Gehandicapte leerlingen (EMG).

Nu zijn er scholen die louter deze leerlingengroep bedienen, maar ook scholen die behalve deze leerlingen nog andere leerlingen op school hebben. Daarom is het lastig, en dat begrijp ik, om deze scholen in een aparte structuur op te nemen. Dat neemt echter niet weg dat mijn fractie hier specifieke aandacht voor wil vragen: een school die deze kinderen verzorgt, en dat is wat ze doen, moet niet dagelijks een directeur in allerlei overleggen plaatsen om de bekostiging voor elkaar te krijgen. Het is evident dat kinderen met een IQ van soms 35 op deze scholen terecht moeten kunnen en dat daar bekostiging voor is. Daarom vraag ik om een standaardovereenkomst, bijvoorbeeld in het Referentiekader, om deze scholen te helpen zodat de afspraken alleen nog geformaliseerd hoeven te worden. Daarmee worden ze niet opgezadeld met nóg weer meer bureaucratische lasten. Dit stelsel Passend Onderwijs kan niet, al zou het dan ongewild zijn, beogen het déze scholen nog moeilijker te maken? Daar komt nog bij dat deze scholen straks ook met de herziening van de AWBZ te maken krijgen. Mijn collega Venrooy heeft tijdens de begrotingsbehandeling van VWS al gevraagd om een toezegging om deze problematiek nu eens op te lossen. Maar het antwoord “er is een gesprek gaande” is mijn fractie inmiddels werkelijk te mager, dus ik zal in tweede termijn een motie indienen ten behoeve van deze scholen, waar juist de leerlingen zitten die echte zorg nodig hebben. Ik zeg daar voor alle duidelijkheid nog even bij, en de minister weet dat ook van mij, dat ik altijd zeer terughoudend ben met het indienen van moties. Het ‘instrument motie’, en de Kamer is daarvoor zelf verantwoordelijk door die belachelijke brij aan moties die ze indient, wordt er bot en ineffectief van – en ik werk daar niet aan mee. Dus hiermee geef ik graag nog extra het signaal af dat ons dit hoog zit en dat we werkelijk willen dat er nu een werkbare en structurele oplossing voor dit probleem komt.

Mijn volgende punt betreft de zogeheten “verevening”. De gelden voor passend onderwijs via het rugzaksysteem zijn nu (de evaluatiecommissie passend onderwijs onder voorzitterschap van mevr. Lambrechts heeft daarop indringend gewezen) ongelijk verdeeld over de regio’s. Dat komt omdat er in stedelijke gebieden minder kinderen met een “vlekje” zijn. Daar is geen wetenschappelijke verklaring voor: volgens die commissie-Lambrechts zouden de gelden dan ook gelijkelijk verdeeld moeten. In de praktijk betekent het dat momenteel in de Randstad scholen te weinig geld krijgen ten opzichte van de regio. De in het wetsontwerp voorgenomen verevening moet dat rechttrekken/gelijktrekken. Dat heeft op zich onze instemming.

In het wetsvoorstel is evenwel opgenomen in welke stappen de vereveningsoperatie plaats zal vinden vanaf 2014/2015. Ik wil die verevening niet uit de wet halen, maar wel een pas op de plaats maken ten aanzien van de stappengrootte in dit proces. Dat kan in mijn ogen budgettair neutraal. De gelden moeten via een verevening in 2019/2020 gelijkelijk verdeeld zijn. Daat staat mijn fractie achter, want het dat elimineert een perverse financiële prikkel; immers geldt dan niet langer: hoe meer kinderen hoe meer geld. Waar evenwel in het wetsvoorstel reeds thans wordt voorgesteld welke de omvang van de stappen van deze verevening zullen zijn, stelt mijn fractie voor deze percentages (let wel nogmaals: nadrukkelijk niet de verevening zelve), uit de wet te halen, om die stappen pas vast te stellen als de huidige bezuiniging is neergedaald. Graag reactie van de minister. De nieuwe manier van verwijzen en toewijzen zal van scholen en samenwerkingsverbanden veel vragen. Dat is de reden van mijn laatste amendement over de verevening.

Mijn voorlaatste punt betreft de positie van de gemeente.

Voorzitter, de gemeenten  hebben via de VNG aangegeven dat zij een steviger verankering van hun positie in de wet willen. Hun rol is nog niet voldoende helder: ze moeten straks inzake jeugdzorg afstemmen met het onderwijs en komen vaak dezelfde kinderen tegen. Vanuit hun verantwoordelijkheid, willen ze dan ook hun rol verankerd zien richting de samenwerkingsverbanden.

Heeft de minister dit signaal ook opgevangen? Is zij voornemens in gesprek te gaan? Kan de minister aangeven wat zij van het gevraagde instemmingsrecht vindt?

De VVD zou er erg content mee zijn indien hieromtrent overeenstemming gevonden zou worden. Wil de minister de gemeenten tegemoet komen en zo ja, hoe? Ik ben in overleg met collega’s om hier eventueel een Kameruitspraak over te vragen.

Tenslotte een punt dat ik simpelweg niet begrijp. De Minister heeft medio december een principe-akkoord met de onderwijswereld gesloten over de invoering van passend onderwijs. Volgens dat principe-akkoord zou maar liefst 60 miljoen euro worden opgehoest om de personele maatregelen op te vangen en expertise te behouden. Ik heb daar een heleboel vragen over:

-waar komt dat geld vandaan? Uit de enveloppegelden en de afschaffing van de groeiregeling in het speciaal onderwijs, lees ik in het verslag van een schriftelijk overleg van 20 februari.

-Maar mety die infromatie heeft de Tweede Kamer toch nog niet geaccordeerd om het hiervoor uit te geven? Ik meen te weten dat het budgetrecht bij de Kamer ligt? Gebeurt dat vóór een eventueel akkoord getekend wordt? Het principe-akkoord voorziet immers in incidentele financiering van 30 miljoen euro in 2012, 20 miljoen in 2013 en 10 miljoen in 2014.

-Begrijp ik dus goed dat er nog géén handtekeningen zijn gezet? En begrijp ik uit de pers goed dat deze principe-afspraken zijn gemaakt met de Algemene Vereniging van Schoolleiders, de PO-Raad, de VO-raad, de AOC Raad, CNV Onderwijs en CMHF?

-Betekent dat dat géén van die organisaties betrokken zijn bij de staking van vandaag? Ik meen toch dat dat in ieder geval geldt voor CNV Onderwijs? Zijn er meer organisaties die zich nu verzetten?

En is het niet zo dat je niet van twee walletjes kan eten, namelijk niet én ja tegen een principe-akkoord zeggen en dan vervolgens gaan staken en enorm tekeergaan tegen de wet?

En als dat zo is én de handtekeningen zijn nog niet gezet, is dan niet de facto dat hele akkoord van tafel? En als dát zo is, is dan de conclusie gerechtvaardigd dat anno 2012 nog steeds de vakbond AOb de facto het overheidsbeleid beslissend beïnvloedt, zo niet bepaalt? En moet aan die uiterst ongezonde situatie nou niet eens voor eens en voor altijd een einde komen? Vakbonden mogen naar de mening van mijn fractie pogen de arbeidsvoorwaarden te beïnvloeden, maar ze gaan niet over democratische besluitvorming met betrekking tot de inrichting van het onderwijs in Nederland.

Graag antwoord van de minister op mijn vele vragen op dit punt én, dat vraag ik met grote nadruk, een reactie op mijn laatste stelling.

Daarmee, mevrouw de voorzitter, ben ik aan het einde gekomen van mijn inbreng in eerste termijn bij dit voor ons onderwijs zo belangrijke wetsvoorstel, waarvan ik hoop dat we het volgende week in deze Kamer kunnen aannemen, omdat het een wezenlijke verbetering zal betekenen ten opzichte van het huidige systeem, dat perfide uitwassen kent

Lees meer