Nieuws uit de kamer

Spreektekst Ton Elias voor het Algemeen Overleg ‘Vormende taak van het onderwijs’

Eigenlijk moeten we vandaag bij Cicero beginnen – maar dan red ik het helemáál niet in de mij toegemeten vijf minuten. Dus we houden Petrarca aan als de start, die met het Renaissance-humanistische ad fontes-denken terugkeerde naar de, in dit geval, Latijnse bron.  Francesco Petrarca streed voor een nieuwe culturele bloei, waartoe ook op politiek terrein moest worden aangeknoopt bij de idealen van het Romeinse Rijk. Het humanisme verspreidde zich vanuit Italië weldra over heel Europa – en dit renaissance-humanisme was in sterke mate ook een een onderwijs- en wetenschapshervorming.

Tussen 1600 en 1800 zijn de verdere filosofische ontwikkelingen op dit gebied in het Duitstalige gebied (vooral Pruisen) een voedingsbodem geweest voor het ontstaan van een klassiek vormingsideaal, waarbij het denken omtrent het ideaal van de vrije ontplooiing van de mens een centrale rol speelde. Waar het Nederlandse onderwijssysteem sinds de 19e eeuw stevig aanleunt tegen dat van onze oosterburen, is het logisch dat het onderscheid tussen het Gymnasium en de HBS zich langs dezelfde lijnen als de strijd om de gelijkstelling van het hoogste niveau van de Realschule met het Gymnasium voltrok. (Ik verwijs geïnteresseeren naar Lechners proefschrift ‘Bildung macht Frei’ -dus niet alleen naar Muynks en de Vos’ samenvatting daarvan!- en naar Jan Banks boek uit 2000 over de Hoogtij van Burgerlijke cultuur rond 1900 – mede overigens om niet van plagiaat te kunnen worden beschuldigd).

Ik spring eerst even naar Nederland. In 1849 bracht de staatscommissie-Ewijck een opmerkelijk advies uit over het hoger onderwijs. Volgens de commissie diende het hoger onderwijs de student voor te bereiden op een maatschappelijke functie. Met dit advies ging de commissie lijnrecht in tegen de vigerende regeling, neergelegd in het Organiek Besluit van 1815, die bepaalde dat de taak van de universiteiten eruit bestond om adellijke jongeren voor te bereiden op een leven in hogere kringen. Het Besluit had het verschil tussen de aristocratie en de werkende stand bevestigd en de kloof tussen het universitair onderwijs en de dagelijkse beroepspraktijk vergroot.

Minister Thorbecke, ik citeer hier Bank maar even omdat het immers over een grote liberaal gaat en dan kun je altijd maar beter een betrouwbare wetenschapper opvoeren, “Thorbecke beschikte als enige over voldoende moed, macht en vernieuwingsgezindheid om zo verregaande voorstellen te pousseren. Hij gooide het roer om en legde de adviezen van de commissie-Ewijck vast in de ‘Wet op het Middelbaar Onderwijs’ die hij in 1863 door de Kamer loodste. Deze wet voorzag in verregaande maatregelen ten faveure van het beroepsonderwijs. De meest ingrijpende was de instelling van de Hogere Burger School.” “Niets lag immers meer voor de hand dan dat de revolutionaire lijn die Thorbecke had uitgezet in zijn Wet van 1863, zou worden doorgetrokken in de Wet op het Hooger Onderwijs die hij daarna in voorbereiding nam. Maar de wet die uiteindelijk in 1876 werd ingediend en aangenomen, was een anticlimax. Ze was onduidelijk in haar bedoelingen, halfslachtig van aard en een bron van potentiële conflicten. Enerzijds schiep zij enige mogelijkheid voor beroepsvoorbereidend universitair onderwijs, maar anderzijds maakte zij duidelijk dat dit een ondergeschikt en oneigenlijk doel was van een universiteit die als eerste en voornaamste taak had om elitejongeren beschaving bij te brengen.” Einde citaat.

Terug naar Lechner. Zijn proefschrift concentreert zich op de denkers over onderwijs in Duitsland, die overigens wel degelijk tevens vaak verbonden waren met de praktijk. Wilhelm von Humboldt bijvoorbeeld, vaak beschouwd als de ‘vader’ van vormingsliteratuur, ook als Bildungsaartsvader opgevoerd in het advies van de Onderwijsraad, werd hoofd van de afdeling Eredienst en Onderwijs in het Pruisische ministerie van Binnenlandse Zaken, stelde het gehele onderwijswezen onder staatstoezicht en stichtte in de geest van het Bildungsideaal de  Universiteit van Berlijn  – thans Humboldt-Universiteit.

Hij verenigde de ideeën van Verlichting, de Sturm und Drang van Goethe en Schiller én het filosofisch denken van Immanuël Kant in, oneerbiedig populair geformuleerd, één nieuwe en veelaangehangen vormingspotpourri. Goede vorming is volgens Von Humboldt algemene vorming. Eenzijdige ontwikkeling, of ontwikkeling met puur praktische doelen is een belemmering om echt mens te worden. Echt mens wordt men door bezig te zijn met het esthetische.

De invloed die het Duitse onderwijsdenken uitoefende op Thorbecke, die immers in Duitsland studeerde en daar ook onder invloed van de Duitse onderwijsidealen was gekomen, waarin Bildung centraal stond, moet niet worden onderschat. Von Humboldt meende dat de universiteit Bildung bij moest brengen door middel van Wissenschaft. De ‘Wetenschap’ die Humboldt op het oog had en die hij als belangrijkste onderwijstaak aan de Duitse universiteit meegaf, beoogde zowel de kennis van de klassieken (en was in die betekenis synoniem aan de ‘geleerdheid’ waar ons Organiek Besluit uit 1815 van repte) als het ‘zelfstandig en onafhankelijk onderzoek’, waar de commissie-Ewijck aan refereerde. Thorbecke liet zich door deze zonder meer dubbelzinnige Bildung durch Wissenschaft leiden bij zijn onderwijshervormingen. De te beantwoorden vraag evenwel is in welke richting het Duitse voorbeeld de Nederlandse onderwijswetgeving stuwde. Want dáárover lopen de meningen sterk uiteen. Onderwijshistoricus M. Matthijssen dicht het Duitse model een regressieve invloed op het Nederlandse onderwijs. Von Humboldt had de Bildung gedefinieerd als een nieuw soort Humanisme, met de bedoeling om het beroepsvoorbereidende onderwijs van de universitaire instellingen te weren. De toepassing van dit ideaal op de Nederlandse onderwijswetgeving betekende een terugkeer naar de beginselen van het Organiek Besluit en een bekrachtiging van het standsgewijze onderwijs. Maar volgens onderwijshistoricus Arnold Labrie is dat niet juist. De Duitse Bildung betekende volgens hem dat briljante jongeren zich op grond van hun individuele talent konden kwalificeren voor hoger onderwijs, ongeacht de stand waarin ze waren geboren. De invoering van dit ideaal in Nederland was een belangrijke impuls voor de democratisering van het onderwijs: de burgerij maakte gretig gebruik van de kans die haar werd geboden om haar getalenteerde kinderen naar gymnasium en universiteit te sturen en zich toegang te verschaffen tot een niveau van hoger onderwijs waarvan zij tot dan was uitgesloten. Het Bildungsideaal had dus volgens Labrie een democratiserend effect op het onderwijs in Nederland. Wie heeft gelijk? Ingewikkeld genoeg: beiden. De Wet op het Hoger Onderwijs van 1876 schiep ruimte voor een tegenstrijdige uitleg van de Bildung – en in de kern is dat tot op de dag van vandaag zo gebleven.

Want het denken van Von Humboldt zet ook nu nog aan tot discussies over het doel van onderwijs bijvoorbeeld …. Volgens deze 18e eeuwse idealen moeten burgers breed gevormde personen worden, opdat ze een betere bijdrage zouden kunnen leveren aan het verbeteren van de samenleving. Ik vind persoonlijk dat deel van het denken nogal esoterisch, eerlijk gezegd. Maar waar ik me anderzijds bij thuisvoel is het denken over de ontplooiing van het individu als kern: in de vormingstraditie gaat het vooral om de versterking van de persoonlijke, innerlijke kracht, en pas in tweede instantie om wat je er mee doet.

‘Vorming’ is, terecht, ook vandaag de dag nog een veelbesproken onderwerp. Ik zet me af tegen degenen, en CDA-collega Biskop is van die kortzichtige stroming een belangrijk representant, die menen dat wanneer je Onderwijs TEVENS als economische productiefactor van enorm belang  beschouwt, je daarmee AUTOMATISCH de vormingsidealen bij het grof vuil zou zetten. Wat een onzin! Maar ik zou omgekeerd gráág wat meer aandacht bij de vormingszeloten in het onderwijs zien voor het economisch belang van onderwijs. Ook hier wordt het tijd om BEIDE kanten van de pedagogische medaille op juiste waarde te schatten. Ik ben namens de VVD-fractie over de manier waarop het kabinet dat evenwicht in het vizier houdt, helemaal niet ontevreden. De beleidsreactie van de Minister acht ik adequaat, daar waar zij stelt dat vorming tot de taak van het onderwijs behoort, waar leraren in eerste instantie zelf eigenaar van zijn. De docent moet een beroep doen op zijn eigen drijfveren en passie voor het vak. Tijdens de behandeling van het actieplan leraren spraken we er al over met de Minister.  De vrijheid van het onderwijs geeft de scholen ruimte om hun eigen beleid vorm te geven. Dat lijkt ons de juiste route.

Tot slot nog één praktisch punt over de oproep van het COC aan ons, die ik zo versta dat “kennis van en respect voor sexuele diversiteit”deel uit moeten maken van de kerndoelen in het onderwijs. Enerzijds zijn de kerndoelen niet van elastiek, we kunnen er eenvoudigweg niet de vele en elk op zich (laat dat met nadruk gezegd zijn) zeer nuttige doelen in opnemen. Anderzijds was en is dit thema voor mijn fractie dermate van belang dat de VVD in december 2009 een motie mede heeft ondertekend ook de kerndoelen 38 en 43 te moderniseren. De minister heeft verdedigd waarom zij geen heil ziet in het aanpassen van de kerndoelen; ze wil aandacht voor de kern van taal, rekenen, wiskunde, Engels. In het kader van emancipatie heeft de VVD al duidelijk gemaakt waar ze staat: wij hechten sterk aan aandacht voor seksuele diversiteit op scholen. Ook in deze onderwijscommissie wil ik namens de VVD helder zijn over de diverse oproepen: dit moet wat ons betreft nu gewoon geregeld worden. Ik zeg er wel iets bij: ik deel de zorg van de minister dat we ons echt op de kern moeten concentreren en geen kerstboom van die kerndoelen moeten maken; wat ons betreft blijft het hier dus verder bij. Mijn fractie heeft de steun onder de motie uit 2009 niet ingetrokken en doet dat ook vandaag niet. Ik vraag de Minister dringend onze afweging te volgen. Als het echt nodig zou zijn, kondig ik alvast een VAO en een motie aan.

Lees meer

VVD blij met toezegging Van Bijsterveldt over aandacht voor homosexualiteit op school

De VVD-fractie in de Tweede Kamer heeft “blij en opgelucht” gereageerd op de toezegging van onderwijsminister Van Bijsterveldt dat er in het onderwijs meer aandacht zal komen voor “sexuele diversiteit”.

VVD-woordvoerder Ton Elias: “Homo’s en lesbiennes zijn normaal in Nederland en dat moet iedereen weten. Al in de jaren zestig was VVD-er Molly Geertsema de eerste in Nederland die dit inzag.” De VVD was om die reden mede-ondertekenaar van een motie die in 2009 het toenmalige kabinet opriep in het onderwijs “meer aandacht aan seksualiteit en seksuele diversiteit” te schenken.

De Minister deed haar toezegging vandaag na een dringende oproep van de VVD-er. Tijdens een overleg met de minister stelde Elias: “Het COC verzocht ons dat kennis van en respect voor sexuele diversiteit deel uit moeten maken van de kerndoelen in het onderwijs. De VVD heeft in het kader van emancipatie altijd duidelijk gemaakt waar ze staat: wij hechten sterk aan aandacht voor seksuele diversiteit op scholen. Ook in deze onderwijscommissie wil ik namens de VVD helder zijn over de diverse oproepen: dit moet wat ons betreft nu gewoon geregeld worden. Ik zeg er wel iets bij: ik deel de zorg van de minister dat we ons echt op de kern moeten concentreren en geen kerstboom van die kerndoelen moeten maken; wat ons betreft blijft het hier dus verder bij.”

Elias concludeerde: “Mijn fractie heeft de steun onder de motie uit 2009 niet ingetrokken en doet dat ook vandaag niet. Ik vraag de Minister dringend onze afweging te volgen. Maar voor als het echt nodig zou zijn, kondig ik nu alvast een motie aan.”

Lees meer

VVD: Licht scholieren eerlijk voor over kans op baan

De VVD wil dat MBO-opleidingen transparant zijn over het beroepsperspectief van de aangeboden opleidingen en daarover betrouwbare en toegankelijke informatie verschaffen. VVD-woordvoerder Ton Elias: “Te veel scholieren maken nu een verkeerde studiekeuze omdat ze verkeerde verwachtingen hebben. Verwachtingen die regelmatig op onkunde stoelen (‘ik wil iets met dieren’), maar ook nogal eens zijn opgewekt door te rooskleurige informatie door de scholen. Dat moet stoppen. Zorg dat de studie-informatie correct, bruikbaar en toegankelijk is. Zeg eerlijk tegen scholieren waar de studie toe leidt: een baan of de kaartenbak. En vertel hun wat ze met die baan ongeveer gaan verdienen. Dat alles zal tot een aanmerkelijk realistischer schoolkeuze leiden.”

Om dit te bereiken, roept de VVD de scholen, de MBO-raad en de nieuwe Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven op om drie concrete punten te realiseren.

1.  Reeds beschikbare informatie over het beroepsperspectief moet beter gebundeld worden en meer toegankelijk worden gemaakt.

2. Per onderwijsinstelling dient vergelijkbare informatie over het beroepsperspectief worden verzameld. Denk daarbij aan salarisgegevens van oud-scholieren en het percentage dat daadwerkelijk het beroep gaat uitoefenen waarvoor hij of zij is opgeleid. Potentiële scholieren moeten bewust zijn dat hun keuze voor een studie directe gevolgen heeft voor hun kansen op de arbeidsmarkt.

3. Deze informatie moet openbaar en in samenhang te raadplegen zijn. Daarbij hoeft geen nieuwe infrastructuur te worden opgetuigd, maar kan worden aangesloten bij bijvoorbeeld de website www.studiekeuze123.nl.

Elias: “Eerlijke en duidelijke informatie over de kans op een baan, het inhoudelijke beroepsperspectief en het toekomstige salaris vormen voorwaarden voor een bewuste keuze. Mooie praatjes en glimmende folders leveren niets op. Scholieren beseffen dat zelf ook.” Vandaar dat Elias rekent op de steun van het Landelijk Actie Komitee Scholieren, de Jongerenorganisatie beroepsonderwijs, het Interstedelijk Studenten Overleg voor HBO en wetenschappelijk onderwijs, FNV Jong en CNV Jongeren. “De VVD wacht verder met spanning op de reactie van de scholen. Ik wil bewust niet nieuwe regels of wetten bepleiten, want die zijn nergens voor nodig als de scholen zelf dit even belangrijke als simpele punt oppikken en snel gaan regelen. Ik beschouw hun reactie als een test voor de vraag: snapt het MBO nu dat het er voor de leerling is of blijven ze hun eigen gebouwen, prestige en leerlingenaantallen het belangrijkst vinden. En ik wil horen wanneer ze dit geregeld hebben. Ik vind dat deze informatievoorziening volgend voorjaar op die site moet staan, zodat de komende lichting MBO-leerlingen al beter voorgelicht haar keuze maken zal,” aldus Ton Elias.

Lees meer

VVD:  Nu de branding door, anders blijft de zesjescultuur

De vandaag door de VO-raad gepubliceerde cijfers over gevolgen van de nieuwe exameneisen zijn verontrustend. Ze vormen echter geen reden het beleid te herzien. Wel moeten leerlingen beter weten waar ze aan toe zijn en dus veel beter geïnformeerd worden. VVD-woordvoerder Ton Elias: “Dat er fikse aantallen leerlingen dreigen te zakken is een duidelijk signaal aan de scholen om sneller aan de nieuwe eisen te voldoen en te zorgen dat het onderwijs voldoet aan het gestelde niveau. Er zijn democratische besluiten genomen om er een tandje bij te zetten in het onderwijs, omdat we anders op termijn door China en India voorbijgelopen worden. En die besluiten dienen dus te worden nagekomen en uitgevoerd, ook door het onderwijsveld zelf. We moeten nu door de branding, anders komen we nooit van de zesjescultuur af.”

Lees meer

Spreektekst Ton Elias plenair debat onderwijstijd d.d. 26-10-2011

Dit wetsvoorstel wijzigt de definitie van het nog steeds wat diffuse begrip “onderwijstijd”. Wat kwantiteit betreft wijzigt dit voorstel alleen het aantal uren – de zogeheten “klokuren” in het onuitroeibare onderwijsjargon dat overigens zoveel mogelijk uit te bannen ware, mevrouw de voorzitter!

In de eerste drie klassen, de zogeheten ‘onderbouw’ van het voortgezet onderwijs gaan we van nu ook in de wet van 1040 naar 1000 uur, zodat het nu in alle schooljaren in het voortgezet onderwijs 1000 uur wordt (en 700 uur in het eindexamenjaar). Ik zal de publieke tribune en degenen die ons anderszins vandaag volgen nu maar niet vermoeien met de al dan niet gekunstelde ratio achter de 37 ½ week x 26,67 klokuren die achter deze 1000 uren zit – en maar gewoon vertellen zoals ik het zie: er is jarenlang enorm gekoekhapt over het precieze aantal uren en dit is het geworden. Hier geldt wat oud-premier Van Agt ooit zei over politieke besluitvormingsprocessen: de een wil een paard en de ander een kameel, dus wat krijg je dan – – inderdaad: een dromedaris …). Nóg wat huiselijker: de VVD-fractie heeft liever 1000 uur die ook echt nuttig wordt besteed dan 1040 uren, waarmee de hand wordt gelicht.

Voor mijn fractie is dan ook de invulling van de onderwijstijd verreweg het belangrijkst: wat is nou precies onderwijstijd en wat niet? Is twee klassen die gelijktijdig zelfstandig materiaal voor profielwerkstukken opzoeken via internet en één leraar die tussen die twee klassen heen en weer pendelt “onderwijstijd”?

De VVD zet bij deze wetsbehandeling in op drie hoofdpunten:

1) hoe wordt het begrip onderwijstijd concreet ingevuld, 2) hoe zit het met de controle erop en 3) als kinderen goed en daarmee bedoel ik relatief goed presteren, waarom staken we dan onze inzet om ze niet toch nog beter te laten presteren door ze méér les te geven?

Wat het eerste betreft volgt het wetsvoorstel de aanbevelingen uit 2008 van de Commissie Onderwijstijd, voorgezeten door mijn illustere voorganger als VVD-onderwijswoordvoerder Clemens Cornielje, namelijk dat onderwijsactiviteiten, welke dan ook, om als “onderwijstijd” mee te tellen moeten voldoen aan drie criteria:

–         Ze dienen onder de pedagogisch-didactische verantwoordelijkheid van daartoe bekwaam onderwijspersoneel te worden uitgevoerd;

–         Onderwijsactiviteiten dienen deel uit te maken van het door de school geplande en voor leerlingen verplichte onderwijsprogramma;

–         En ze dienen door een inspirerend en uitdagend karakter bij te dragen aan een zinvolle invulling van de totale studielast van leerlingen.

Wat “onderwijstijd” nu exact is wordt op schoolniveau bepaald, maar wel binnen bovenstaande drie criteria. De medezeggenschapsraad moet er mee instemmen; dit betekent dat de ouders en de leraren er zich in moeten kunnen vinden. De Inspectie waakt over dit instemmingsproces. Heeft de medezeggenschapsraad niet ingestemd, dan kan een bekostigingssanctie volgen. Voor alle duidelijkheid: dit wetsvoorstel wijzigt de inhoudelijke eisen van het onderwijs niet: aan de zogeheten eindtermen wordt niet gesleuteld.

De Inspectie voor het Onderwijs heeft in het schooljaar 2006/2007 een representatieve steekproef gehouden naar de “onderwijstijd”. Deze heeft toen vastgesteld dat bij de formele zeven weken vakantie de werkelijke zomervakantie op maar liefst tien weken uitkwam. In het wetsvoorstel wordt de zomervakantie formeel naar zes weken verkort en worden strengere regels geïntroduceerd in de periode van op- en afbouw van een schooljaar. Voor de VVD staat handhaving voorop; deze wordt uitgevoerd door de Inspectie.

De minister krijgt met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om bij Algemene Maatregel van Bestuur (we noemen dat hier AMvB…) maatregelen te treffen om te bepalen hoe scholen de verantwoording in moeten vullen als zij in gebreke zouden blijven. Deze clausule is voor de VVD essentieel. Ik wil de Minister van Onderwijs vragen wanneer naar haar mening scholen in gebreke blijven en hoe het aanpakken daarvan vorm krijgt in die AMvB – en ik wil haar dringend vragen om in haar antwoord enkele hoofdpunten uit zo’n AMvB te schetsen. Instemming met het wetsvoorstel is voor mijn fractie afhankelijk van het antwoord op deze voor de VVD essentiële vraag.

Waarom ben ik daar zo scherp op? Niet omdat wij iedereen in het onderwijs wantrouwen en voor elke school een man met een gleufhoed in een Peugeot 403 Cabriolet willen posteren [Columbo] – een karikatuur die de oppositie weleens van onze ‘we-zijn-wel-goed-maar-niet-gek’-opstelling, waar NIKS mis mee is, tracht te maken.  Wél omdat de structuur van de wet eventueel misbruik door een enkele school naar onze mening te gemakkelijk kan maken als er geen stok achter de deur zit.

Ik wil het Regeerakkoord letterlijk nemen; daarin staat niet voor niks: “Scholen gaan roosters zonder tussenuren maken en voorkomen lesuitval”, waarbij de impliciete aanname is dat ze dit eigener beweging zullen doen en dat, indien ze dat nalaten, eerst eventuele negatieve resultaten op de zogeheten kerndoelen zullen leiden tot actie van overheidszijde. Huiselijker geformuleerd: de Onderwijsinspectie kan alleen maar controleren op het proces en kijkt – anders dan naar de genoemde drie criteria – niet nader naar de invulling. Dit alles is één van de uitvloeisels van het rapport van een politiek breed gedragen commissie-Dijsselbloem uit 2007, dat de scholen meer met rust wil laten en niet dol wil maken met Haagse bemoeizucht. Dat is op zich een loffelijk streven, maar ik stel mij ook hier de vraag of we de penduleslinger niet te ver naar de andere kant laten doorslaan. Graag krijg ik dan ook de toezegging van de Minister om de Inspectie steekproeven te laten houden, en dat mag in de vorm van een al bestaand instrument van de Onderwijsinspectie: een themaonderzoek. Ook een toezegging op dit punt is voor mijn fractie essentieel.

Voor de VVD, mijn derde punt, staat ten slotte excellentie en meer aandacht voor de goed presterende kinderen hoog op de agenda. Door een minimumnorm van 1000 uur te stellen is er wellicht te weinig aandacht voor deze kinderen. Ook, of beter: zélfs, de 20% best presterende kinderen presteren vaak onder hun niveau. Als we niet alleen van de zesjes-, maar ook van de zéventjescultuur af  willen, moeten we juist déze kinderen uitdagen met meer en beter ingevulde lestijd. Benadrukt moet worden, ook door onze Onderwijsminister, dat de 1000 uur wat ons betreft in die zin bepááld niet heilig zijn, dat het er stellig ook wat bij ons betreft alle scholen die daar trek in hebben beslist méér mogen worden!

Lees meer

Spreektekst Ton Elias AO Laaggeletterdheid d.d. 2011-10-12

(Alleen gesproken tekst geldt)

In het regeerakkoord is door het Kabinet toegezegd een actieplan te ontwikkelen om de laaggeletterdheid aan te pakken.

De in het genoemde actieplan voorgestelde maatregelen zijn een vervolg op het Aanvalsplan Laaggeletterdheid 2006-2010 ‘Van A tot Z betrokken’. Volgens het rapport ‘Opbrengsten in beeld’ van het Centrum van Innovatie voor Opleidingen (CINOP) uit 2011 blijkt dat ondanks alle genomen maatregelen nog altijd 10% van de beroepsbevolking laaggeletterd is. Volgens de Minister komt dit, omdat het een zogenaamde ‘dynamische groep’ betreft. De uitstroom is gelijk aan de instroom. Volgens het genoemde rapport is de prognose dat in 2020 nog steeds 10% van de beroepsbevolking laaggeletterd is, mede daarom acht het Kabinet nieuwe maatregelen nodig.

Voor we nou aan een nieuw actieplan beginnen, hoe zorgen we er nu voor dat we die verkeerde dynamiek eruit halen?! Dus: dat we straks niet zeggen ‘het is wel gelukt, we hebben een hele hoop mensen van laaggeletterdheid afgeholpen, maar helaas, toch is nog steeds tien procent laaggeletterd?!’ Vraag: hoe voorkomen we dit? Antwoord vind ik onvoldoende in de stukken, dus krijg ik het graag nu! Ik zeg het maar even cru: voor ik namens mijn fractie gelden voteer, wil ik zeker weten dat het niet is om tegen allerlei actiegroepen en belangenclubs te kunnen zeggen: we hebben d’r aandacht voor hoor, we geven er een kleine zeventig miljoen aan uit (over de cijfers straks meer) dus het zit wel goed. Nee, ik wil dat het tot iets leidt en dat het werkt en eerder zeg ik geen ja – zo simpel is dat.

1) Actieplannen PO/VO/MBO: oké, eens. Niet genoeg kan het belang worden benadrukt van een centrale eindtoets en van het leerlingvolgsysteem.

2) Volwasseneneducatie nadruk geletterdheid (taal en rekenen): oké, eens.

3) Algemeen: VVD kan zich in grote lijnen vinden in doelstellingen actieplan. Geletterdheid  vergroot economische kansen van mensen; volwassenen die laaggeletterd zijn, lopen meer kans om werkloos te raken en te blijven. Voorts heeft iedereen in Nederland basiskennis taal en rekenen nodig om deel te kunnen nemen in de maatschappij. Nu beheerst een grote groep Nederlanders niet het taalniveau van het eind van de basisschool. 10% van de beroepsbevolking laaggeletterd, waarvan het grootste gedeelte 45 jaar of ouder is. Anderhalf miljoen mensen laaggeletterd, meer dan een miljoen (1,1 miljoen!) daarvan behoort tot de potentiële beroepsbevolking (waarvan ruim 500.000 werkloos). Dit is natuurlijk een “onwelgevallige waarheid”, maar wel een zeer reëel probleem. Dat een grote groep Nederlanders het eindniveau van de basisschool niet onder de knie heeft vind ik schokkend. Nogmaals: leerlingvolgsysteem, eerder bijsturen in het primair onderwijs.

4) Óf ik ben zelf laaggeletterd en kan niet goed lezen, of wat voor mij de kernvraag vind ik niet of onvoldoende in de stukken: hoe krijgen we meer mensen naar de cursus. Het gaat veel over het verbeteren van het aanbod, over het aanpassen van definities (ook gebrek aan digivaardigheid gaat meedoen), allemaal prima, en belangrijk ook, maar: hoe krijgen we ze erbij?? Er staan wat brabbelzinnen op pagina 5, maar die zeggen mij niks, want dat is Haags koeterwaals. Ik citeer de Minister: “Ik zal, samen met de betrokken departementen, met voorstellen komen om prikkels in het systeem in te bouwen om volwassenen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om educatietrajecten te volgen en daadwerkelijk af te ronden. De relatie met het arbeidsmarkt- en re-integratiebeleid van de minister van SZW is hierbij onderwerp van onderzoek.” Ik wil veel meer weten over de manier waarop de al dan niet informele digitale leeromgevingen zullen worden ingezet, voor ik er ja tegen zeg om hier 4 miljoen voor uit te geven. Ik weet wel dat de rest van de Kamer 4 miljoen peanuts vindt, maar IK dus niet.

Over geld gesproken: paar vragen over de Financiën: p. 4 brief: er is 58 miljoen voor laaggeletterdheid en volwasseneneducatie binnen de 116 miljoen educatiegelden (P. 39 vd OCW-begroting), daarvan wordt 5 miljoen nu apart gezet voor de pilots (ik zou zeggen ‘proefprojecten’…) van de stichting Lezen & Schrijven. Vraag: zit die 5 miljoen binnen die 58 binnen die 116 of binnen het andere deel van die 116 miljoen? Indien binnen die 58, dan geven we dus 58 (inclusief of exclusief 5 miljoen) +  4 nieuwe aanvalsplan + 3 miljoen voor kunst van Lezen (dat op zich onze instemming heeft) = 65 (of 70) uit voor laaggeletterdheid, exclusief analfabetisme?? Graag duidelijkheid.

Enkele punten nog: ik wil benadrukken, dat de VVD-fractie er aan hecht het commerciële onderwijs toegang te geven tot educatie aan laaggeletterden. Het voortrekken van het bekostigde onderwijs moet wat mij betreft van tafel. Deze oproep deed ik eerder tijdens het algemeen overleg inzake het middelbaar beroepsonderwijs op 20 maart van dit jaar. Gemeenten zijn nu verplicht volwasseneneducatie in te kopen bij de door het Rijk gefinancierde ROC’s. De Minister gaf destijds aan dat ze het beschikbare budget voor de aanpak van laaggeletterdheid niet wil versnipperen, onder de voorwaarde dat de ROC’s “goede waar leveren voor een redelijke prijs”. De vraag is of de gedwongen winkelnering leidt tot de door de Minister beoogde prijs/kwaliteitsverhoudingen, voorts is nog onduidelijk welke prijs/kwaliteitsverhoudingen de Minister wil stellen.

Verder: Wat betekent de nieuwe definitie voor het aantal laaggeletterden?

– Hoe gaat de Minister de versnippering concreet aanpakken? Veel verschillende initiatieven (Digivaardig&Digibewust van Economische Zaken; Centiq van Financiën (gericht op financiële geletterdheid) en niet te vergeten het hele inburgeringsbeleid. Hoe worden deze losse initiatieven aan elkaar gekoppeld?

-Hoeveel mensen zijn laaggeletterd, maar wel ‘digivaardig’?

-En tenslotte: moet niet véél meer worden gebruikgemaakt van de consultatiebureaus en de Op Stapprojecten, want DAAR wordt laaggeletterdheid onmiddellijk herkend en vastgesteld.

Lees meer

VVD ziet kans voor verbod Islamitische school

DEN HAAG – De vandaag gegeven antwoorden op het verzoek van VVD-kamerlid Ton Elias aan de minister van Onderwijs om de oprichting van een Islamitische school in Amsterdam tegen te gaan, bieden volgens hem “een voorzichtige opening om misbruik van de vrijheid van onderwijs tegen te gaan”.

Aanleiding is de voorgenomen stichting van een Islamitische school in Amsterdam door goeddeels dezelfde bestuurders die eerder betrokken waren bij het Islamitisch College Amsterdam (ICA). Dit ICA moest de deuren dit voorjaar sluiten, omdat de minister van Onderwijs de financiering introk wegens gebrek aan leerlingen als gevolg van slechte kwaliteit.

In het vragenuur van twee weken geleden zei Elias dat “je op een kilometer afstand een nieuwe mislukking kunt zien aankomen”. Vóórkomen achtte hij beter dan genezen.

Onderwijsminister Van Bijsterveldt antwoordt vandaag, aldus Elias, “dat ze zelf geen wettelijke instrumenten heeft, maar in feite nodigt ze de Kamer uit om deze alsnog te ontwikkelen”. Voor de korte termijn zegt zij (aldus Elias “helaas”), dat het onmogelijk is om met de bestaande wetgeving in de hand een aanvraag voor een nieuwe school af te wijzen, wanneer deze door falende bestuurders is ingediend.

“Ik blijf van mening dat de vrijheid van onderwijs in onze Grondwet, die de VVD overigens volstrekt respecteert, niet gebruikt mag worden als vrijbrief voor slechte scholen”.

Lees meer

Scholen verdienen betere leraren

In elke klas zit talent – het kostbaarste kapitaal van een samenleving. Presteren gaat om het benutten van dit talent. Door systematisch en doelgericht te werken aan het maximaliseren van onderwijsprestaties wordt voor elke leerling de basis gelegd voor een kans op de arbeidsmarkt en dus ook een goede kwaliteit van leven. Bij beter presteren hoort niet dat er te veel leraren rondlopen die het allemaal eigenlijk wel voor gezien houden, zich niet bijscholen, slecht tegen kritiek kunnen en wachten op de eindstreep. Iedereen in het onderwijs kent dit probleem en praat erover in de wandelgangen en op het schoolplein, maar juist waar dat moet gebeurt dat onvoldoende: tijdens een pittig functioneringsgesprek tussen de schoolleider en de leraar.

Wat elders in de samenleving als de normaalste zaak van de wereld beschouwd wordt, vindt in het onderwijs nog maar mondjesmaat plaats. Vragen als ‘voldoet u eigenlijk wel’, ‘welke cursus gaat u volgen om weer bij de les te komen’ en ‘weet u wel zeker dat een baan in het onderwijs wel geschikt voor u is’ worden onvoldoende gesteld en dat moet veranderen. In plaats van de mantra dat er extra geld naar het onderwijs moet, is het goed om eerst eens te kijken naar al die dingen die er te verbeteren vallen zónder weer automatisch een zak met geld de scholen in te kieperen. Los van het eeuwige financiële aspect moeten we in Nederland toe willen werken naar een ambitieuzer leercultuur waarin prestaties, meer dan nu, worden gewaardeerd en gestimuleerd. Zonder ambities geen betere prestaties.

De docent levert een fundamentele bijdrage om het talent van leerlingen nader te ontplooien. Niet voor niets wijzen alle internationale onderzoeken uit dat de belangrijkste succesfactor in het onderwijs de man of vrouw voor de klas is.

Vanuit het onderwijs zelf wordt steeds luider vastgesteld dat tien tot dertig procent van de leraren niet goed (genoeg) functioneert. Hoewel ik vorig jaar bij de behandeling van de Onderwijsbegroting in de Tweede Kamer nadrukkelijk vaststelde dat er vele goede, enthousiaste leraren zijn, is vooral het deel van mijn betoog onthouden waarin ik voorstelde om twijfelgevallen bij te scholen en notoire zwakkelingen te ontslaan.

Ik sta nog steeds achter mijn oproep. Uit lesobservaties van de Inspectie van Onderwijs blijkt dat een op de tien leraren in het voortgezet onderwijs geen goede instructies geeft en dat een op de vijf leraren de tijd in de les niet efficiënt gebruikt. De helft van de leraren kan het onderwijs niet afstemmen op verschillen tussen leerlingen. Daarnaast dalen de examencijfers van de kernvakken Nederlands, Engels en Wiskunde en ook dat heeft volgens de Inspectie te maken met de kwaliteit van de leraren. Er zou, kortom, al veel gewonnen zijn wanneer men binnen de onderwijsmuren eens wat kritischer naar het eigen functioneren zou kijken.

Leraren horen niet door te groeien op basis van automatismen zoals de lengte van het dienstverband, maar op basis van prestaties. Wie het goed doet, moet daarvoor beloond worden. Het eerste dat in zaaltjes met leraren geroepen wordt als ik dit naar voren breng is dat er geen criteria voor prestatiemeting mogelijk zijn. Wat een onzin! Op de gang en op fluistersterkte weet iedereen exact wie de slechte en wie de goede leraren zijn. Het begint ermee dat directeuren, rectoren en schoolleiders serieuze beoordelingsgesprekken moeten voeren, want bij te veel scholen gebeurt dit nog steeds niet of half. Verder zijn anonieme, maar zorgvuldige leerlingenquêtes een uitstekend middel om een goed beeld van de kwaliteit van leraren te krijgen. In de praktijk blijkt er niks van te kloppen dat de populaire leraar van de Londenreis het hoogst scoort en de nare leraresWiskunde het laagst. Leerlingen hebben verdraaid goed door waar hun echte belang ligt als het om goed les krijgen gaat.

Ook vallen prestaties van kinderen prima te meten. Dat moeten we dan ook regelmatig doen aan de hand van toetsen – nog zo’n effectief meetmiddel ten behoeve van het dossier van de individuele leraar. Tenslotte mag hier het beroepsregister niet onvermeld blijven: wie straks niet aan de kwaliteitseisen van het register voldoet, mag het vak van leraar niet langer uitoefenen. Net zoals we dat na lang touwtrekken rond de dokter in Nederland geregeld hebben.

Los van regels is natuurlijk ongelooflijk belangrijk dat de luiken van de school worden opengezet. Wat daarbij helpt is als er meer jonge, enthousiastelingen de school binnenstromen. Om die reden zie ik graag meer ZZP’ers voor de klas, die wat ondernemerszin meebrengen. En ja, er moet nu ook eindelijk wat terecht komen van structurele verbeteringen in de opleiding tot leraar, de PABO. Er ligt een heel scala aan mogelijkheden open om tot betere prestaties in het onderwijs te komen. Voor de zomer heeft het kabinet het groene licht gekregen om diverse actieplannen uit te gaan voeren, die concreet invulling geven aan een ambitieuzere leercultuur in alle onderwijssectoren, waarin scholen systematisch en doelgericht moeten werken aan betere leerprestaties.

Leraren (en vakbonden niet te vergeten!), die zeggen dat het kabinet-Rutte niet om onderwijs geeft, miskennen de feiten. Het gebeurt alleen niet op de manier die ze gewend zijn, maar een tikje confronterender. Hoog tijd.

Ton Elias

Gepubliceerd in onder meer het Brabants Dagblad d.d. 06-10-2011.

Lees meer

VVD: vervang financieel incompetente schoolbestuurders

Financieel incompetente onderwijsbestuurders moeten worden vervangen. VVD-onderwijswoordvoerder Ton Elias heeft daartoe vandaag opgeroepen tijdens een Kamerdebat. Deze oproep zou een omslag in het financiële beheer van scholen betekenen. Elias: “Momenteel hebben te veel schoolbesturen hun financiële zaken niet op orde. Dit terwijl ze publiek geld beheren. Daar moet zo snel mogelijk een einde aan komen: onderwijsgelden dienen precies, fatsoenlijk en deskundig besteed te worden. “ Elias vroeg onderwijsminister Van Bijsterveldt om met de werkgevers te overleggen om hierover afspraken met hen te maken. Dat Van Bijsterveldt in het debat aangaf dat niet te willen, noemde Elias “zeer teleurstellend”.

De noodzaak om schoolbesturen te dwingen tot goed financieel management en financiële deskundigheid, neemt volgens Elias alleen maar toe, nu de Kamer besloten heeft zo’n 300 miljoen euro onderwijsgeld dat nu via gemeenten naar het onderwijs gesluisd wordt, over te hevelen naar het onderwijs zelf.

Tenslotte pleit Elias voor concrete ondersteuning voor schoolleiders en/of besturen die hun financiële taken onvoldoende aankunnen.

Lees meer

Mondelinge vragen Ton Elias aan de Minister van Onderwijs inzake Islamitisch onderwijs in Amsterdam d.d. 27-09-2011

Mevrouw de Voorzitter, de VVD is niet tegen protestants onderwijs, de VVD is niet tegen openbaar onderwijs, de VVD is niet tegen katholiek onderwijs en de VVD is niet tegen Islamitisch onderwijs. De VVD is wel in alle varianten tegen slecht onderwijs. Ik neem aan dat de minister van Onderwijs dat volledig met ons eens is. Dan is het pijnlijk om vast te stellen dat zij toestemming heeft gegeven aan de Stichting Islamitisch Onderwijs om in Amsterdam een nieuwe school te stichten. Waarom pijnlijk? Omdat je veilig kunt voorspellen dat die Stichting net zo’n soort school gaat opleveren als het Islamitisch College in Amsterdam, dat de minister voor de zomer moest laten sluiten omdat het onderwijs er slecht was en er te weinig leerlingen voor waren. Nota bene de rector van dat opgeheven en mislukte College is nu de voorzitter van die nieuwe stichting, terwijl vier van de zeven bestuursleden van de nieuwe Stichting ook aan de opgeheven school verbonden waren.

Is de minister het met ons eens dat dit een zeer ongewenste situatie is en dat te verwachten is dat de oprichting van deze nieuwe Islamitische school andermaal op een onderwijskundig fiasco zal uitdraaien?

De minister heeft gezegd dat ze scherp zal toezien op de kwaliteit van het onderwijs. Maar ontstaat niettemin niet levensgroot de situatie dat je NU al kunt voorzien dat het met die kwaliteit niks wordt en dat voorkómen beter is dan genezen?

Nou hoor ik de minister dat eventueel beamen, maar ook hoor ik haar dan in één zin erbij vertellen dat we in Nederland bijna een eeuw geleden niet voor niets de schoolstrijd op een voor de hele wereld unieke manier beslecht hebben door de vrijheid van onderwijs in artikel 23 van onze Grondwet vast te leggen – en dat je deze Grondrechten moet respecteren. Dat ben ik dan, als ze dat gaat zeggen (en dat gaat ze ongetwijfeld doen), op voorhand met haar eens, want zo hebben we het geregeld in Nederland. Maar: die felbevochten vrijheid van onderwijs is er niet om misbruik van te maken, daar is het een te groot goed voor. Wie met dezelfde mensen in feite opnieuw dezelfde school wil beginnen, die eerder in elkaar gezakt is op grond van gebrek aan kwaliteit, behoort die kans niet te krijgen. Is niet snelle reparatiewetgeving denkbaar, op grond waarvan misbruik van de vrijheid van onderwijs kan tegengegaan? Wil de minister daar serieus naar kijken en ons binnen een week laten weten of ze daar mogelijkheden toe ziet?

En wil de Minister in die reparatiewetgeving de voorwaarde stellen dat een verzoek om een school te stichten niet wordt behandeld of ingewilligd wanneer een aantal bestuursleden eerder betrokken waren bij een school die is opgeheven vanwege de slechte onderwijskwaliteit?

Lees meer